ECLI:NL:RBSGR:2010:BL1862
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Rechtbank verklaart sanctieregeling Iran discriminatoir en onverbindend wegens gebrek aan objectieve rechtvaardiging
De zaak betreft de Wijziging Sanctieregeling Iran 2007, die het toegang verbiedt aan Iraanse onderdanen tot bepaalde nucleaire onderzoeks- en energie-instellingen in Nederland en tot onderdelen van masteropleidingen die mogelijk bijdragen aan nucleaire proliferatie. Eisers, waaronder studenten en een hoogleraar met de Iraanse nationaliteit, stelden dat deze regeling discrimineert op grond van nationaliteit en daarmee in strijd is met het discriminatieverbod van artikel 26 IVBPR Pro.
De rechtbank oordeelde dat hoewel het doel van de regeling legitiem is – het voorkomen van proliferatiegevoelige activiteiten door Iran – de regeling niet proportioneel en passend is. De regeling maakt een algemeen onderscheid op basis van Iraanse nationaliteit zonder individuele risicoanalyse, wat niet gerechtvaardigd is. Bovendien bestaan minder ingrijpende alternatieven om het doel te bereiken.
De Staat voerde aan dat de regeling voortvloeit uit resolutie 1737 van de VN-Veiligheidsraad en het Gemeenschappelijk Standpunt van de EU, maar de rechtbank stelde vast dat deze bepalingen lidstaten een zekere manoeuvreerruimte laten en niet verplichten tot een niet-noodzakelijk onderscheid op nationaliteit.
De rechtbank verklaarde de actiegroep niet-ontvankelijk wegens gebrek aan rechtspersoonlijkheid, wees hun vordering af, maar wees de primaire vordering van de individuele eisers toe door de Wijziging Sanctieregeling onverbindend te verklaren en veroordeelde de Staat in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de Wijziging Sanctieregeling Iran 2007 onverbindend wegens strijd met het discriminatieverbod en veroordeelt de Staat in de proceskosten.