ECLI:NL:RBSGR:2010:BL7423
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid onderscheid in verblijfsvergunning op grond van Regeling afwikkeling nalatenschap oude Vreemdelingenwet
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de weigering van verweerder om hem een verblijfsvergunning te verlenen op grond van de Regeling afwikkeling nalatenschap oude Vreemdelingenwet. De kern van het geschil betreft het onderscheid dat verweerder maakt tussen vreemdelingen die vóór 1 april 2001 een asielaanvraag hebben ingediend en vreemdelingen die dat niet hebben gedaan.
De rechtbank overweegt dat dit onderscheid een redelijke en objectieve rechtvaardiging kent, mede gebaseerd op de opvangverplichtingen van de overheid jegens asielzoekers en andere maatschappelijke en beleidsmatige overwegingen zoals hoge instroom en achterstanden. Het beroep van eiser dat dit onderscheid in strijd is met artikel 26 van Pro het IVBPR wordt verworpen.
Verder oordeelt de rechtbank dat het beroep op artikel 8 EVRM Pro niet slaagt omdat toetsing aan deze bepaling buiten het kader van de Regeling valt en dat eiser zich hiervoor op reguliere wijze moet wenden tot een reguliere verblijfsaanvraag. De rechtbank wijst ook het beroep op artikel 4:84 Awb Pro af, omdat het beleid restrictief en conform de regeling is toegepast.
Ten aanzien van de hoorplicht overweegt de rechtbank dat verweerder terecht heeft afgezien van een hoorzitting omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. Het beroep wordt derhalve ongegrond verklaard en een proceskostenveroordeling wordt niet toegewezen.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de weigering van een verblijfsvergunning op grond van de Regeling wordt ongegrond verklaard.