ECLI:NL:RBSGR:2010:BM2048
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- C.C. Dedel-van Walbeek
- E.A.W. Schippers
- J. Vijlbrief-van der Schaft
- Rechtspraak.nl
Schadeloosstelling onteigening Eendragtspolder voor waterberging zonder dwangbestemming of complex
De rechtbank 's-Gravenhage behandelde een zaak over de onteigening van landbouwgronden in de Eendragtspolder ten behoeve van de realisatie van een grootschalige waterberging en recreatiegebied. De onteigening vond plaats in het kader van het bestemmingsplan Eendragtspolder, dat regionale waterbergingscapaciteit en recreatieve functies beoogt.
De kern van het geschil betrof de vraag of sprake was van een dwangbestemming die de waardebepaling van de onteigende gronden zou beïnvloeden, en of de gronden deel uitmaakten van een complex dat een hogere vergoeding zou rechtvaardigen. De rechtbank volgde de deskundigen die stelden dat geen sprake was van een dwangbestemming, omdat de gemeente Zevenhuizen-Moerkapelle eigen beleidsvrijheid had bij het bestemmingsplan en de exacte situering van de waterberging niet vooraf door rijk of provincie was vastgesteld. Ook werd geoordeeld dat er geen complex was, omdat de waterberging een zelfstandige ruimtelijke ontwikkeling vormt, los van omliggende gebieden zoals de Zuidplaspolder.
De waarde van de onteigende gronden werd vastgesteld op € 8,50 per m², gebaseerd op agrarisch gebruik, waarbij rekening werd gehouden met de waardedrukkende bestemmingen water en recreatie. Bijkomende schade werd vastgesteld op € 7.170,-- vanwege waardevermindering van het overblijvende perceel. Vergoeding van wederbeleggingskosten werd afgewezen, omdat niet voldaan was aan de criteria voor duurzame belegging.
De rechtbank veroordeelde het Bureau Beheer Landbouwgronden (BBL) tot betaling van de schadeloosstelling, vermeerderd met rente van 3% vanaf 1 mei 2009, en tot vergoeding van kosten van juridische en deskundigenbijstand, griffierechten en eventuele belastingschade. Tevens werd het BBL veroordeeld tot het overnemen van het overblijvende deel van een perceel. Het vonnis werd gewezen door drie rechters en op 31 maart 2010 openbaar uitgesproken.
Uitkomst: De rechtbank stelt de schadeloosstelling vast op € 3.896.698,-- plus rente en kosten en wijst de vordering van BPF toe.