ECLI:NL:RBSGR:2010:BN0073
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- M.S.F. Voskens
- Rechtspraak.nl
Onmiddellijke opheffing vreemdelingenbewaring wegens onvoldoende voortvarendheid bij aanvraag verblijfsvergunning
Eiser is op 22 februari 2010 in vreemdelingenbewaring gesteld en heeft meerdere keren verzocht om in de gelegenheid gesteld te worden een aanvraag voor een verblijfsvergunning in te dienen vanwege een medische noodsituatie. Hoewel eiser het verzoek daartoe op 12 mei 2010 deed, werd hem pas op 26 mei 2010 daadwerkelijk gelegenheid geboden de aanvraag in te dienen. Verweerder gaf geen verklaring voor de vertraging in ontvangst van het faxbericht en toonde geen meer dan gebruikelijke voortvarendheid.
De rechtbank overweegt dat voortvarendheid van verweerder vereist is, zeker wanneer de beoordeling van de aanvraag van invloed is op de uitzetbaarheid van eiser. De strekking van jurisprudentie is dat de aanvraag snel moet worden afgehandeld om uitzetting zo spoedig mogelijk te effectueren. Het tijdsverloop tussen het verzoek en de daadwerkelijke indiening is daarom van groot belang.
Verweerder stelde dat het tijdsverloop niet onredelijk was en dat eiser zelf ook nalatig was, maar de rechtbank wijst dit af omdat de aanvraag persoonlijk moest worden ingediend en medewerking van de Dienst Terugkeer & Vertrek noodzakelijk was. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, beveelt onmiddellijke opheffing van de bewaring en kent een schadevergoeding toe van €1.760,-- over de periode vanaf 26 mei 2010. Tevens veroordeelt zij verweerder in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank beveelt onmiddellijke opheffing van de vreemdelingenbewaring wegens onvoldoende voortvarendheid en kent schadevergoeding toe.