ECLI:NL:RBSGR:2010:BN6379
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- A.W.C.M. van Emmerik
- C.W.M. Giesen
- J.P. Smit
- Rechtspraak.nl
Toekenning schadevergoeding wegens onrechtmatige afwijzing asielaanvraag en overschrijding redelijke termijn
Eiser, afkomstig uit Ethiopië, diende op 22 september 1994 een asielaanvraag in die aanvankelijk door verweerder werd afgewezen. Na diverse procedures, waaronder bezwaar, beroep en heroverweging, werd de aanvraag uiteindelijk op 30 oktober 2003 alsnog gehonoreerd met terugwerkende kracht. De rechtbank stelt vast dat het eerste besluit onrechtmatig was en dat eiser hierdoor ernstige immateriële schade heeft geleden.
De rechtbank beoordeelt dat de lange periode van onzekerheid over de verblijfsstatus van eiser, ruim negen jaar, een ernstige schending vormt van zijn recht op privéleven en persoonlijke levenssfeer. Dit recht is fundamenteel en wordt beschermd door het Vluchtelingenverdrag en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. De rechtbank kent daarom een immateriële schadevergoeding van € 3.000 toe.
Daarnaast oordeelt de rechtbank dat de totale duur van de procedure de redelijke termijn heeft overschreden. Hierbij wordt rekening gehouden met de twee fasen van de procedure en de periodes waarin de redelijke termijn niet liep. De overschrijding wordt volledig aan verweerder toegerekend, wat leidt tot een vergoeding van € 2.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het eerdere besluit en veroordeelt verweerder tot betaling van de schadevergoedingen en proceskosten. Materiële schadevergoeding wordt afgewezen wegens het ontbreken van het relativiteitsvereiste.
Uitkomst: Eiser krijgt een immateriële schadevergoeding van € 3.000 en € 2.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn toegekend.