ECLI:NL:RVS:2007:BA7572
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- T.M.A. Claessens
- M.A.A. Mondt-Schouten
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank over schadevergoeding bij niet tijdig verlenen verblijfsvergunning
De vreemdeling verzocht om vergoeding van materiële en immateriële schade omdat zij tussen 23 september 1998 en 22 januari 2004 ten onrechte geen verblijfsvergunning had, waardoor zij voorzieningen misliep en geestelijk leed ervoer.
De minister wees dit verzoek af, stellende dat de verblijfsvergunning slechts recht geeft op bestendig verblijf en niet op bescherming van vermogensrechtelijke belangen. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en oordeelde dat de vergunningverlening ook het belang op voorzieningen beschermt.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vernietigt deze uitspraak en volgt het arrest van de Hoge Raad dat het relativiteitsvereiste niet is vervuld: de verlening van een verblijfsvergunning strekt niet tot bescherming van vermogensrechtelijke belangen.
Wel oordeelt de Afdeling dat de minister onjuist heeft gemotiveerd dat immateriële schade niet vergoed kan worden bij overschrijding van de redelijke termijn, en verklaart het beroep op immateriële schadevergoeding gegrond. De minister wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.
De Afdeling veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten van €644,00 aan de vreemdeling.
Uitkomst: Hoger beroep gegrond verklaard; materiële schadevergoeding afgewezen, immateriële schadevergoeding toegekend en nieuw besluit opgedragen.