ECLI:NL:RBSGR:2010:BP0914

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
10 december 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 09/35764
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29 Vw 2000Art. 79 Vw 2000Art. 80 Vw 2000Art. 6:5 AwbArt. 6:6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van beroep tegen verlening verblijfsvergunning op grond van artikel 29 lid 1 onder d Vreemdelingenwet 2000

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 13 augustus 2009 waarbij haar een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d van de Vreemdelingenwet 2000. Zij betoogt dat niet voldoende is gemotiveerd waarom geen vergunning is verleend op grond van de andere subartikelen a, b of c, en dat de motivering voor de verlening onder d ontoereikend is.

De rechtbank oordeelt dat eiseres geen procesbelang heeft bij de beoordeling van de verleningsgronden a, b of c omdat zij reeds rechtmatig verblijf geniet op grond van de verleende vergunning onder d. Doorprocederen op andere gronden is tegen de bedoeling van de wetgever. Wel is denkbaar dat het oordeel over de geloofwaardigheid van het asielrelaas relevant kan zijn voor aanvragen van nareizende familieleden, maar dit belang is onvoldoende geconcretiseerd.

De rechtbank verklaart het beroep daarom voor zover het ziet op de gronden a, b of c niet-ontvankelijk en voor zover het ziet op de motivering van de verlening onder d ongegrond. Verweerder heeft conform artikel 3:48 Awb Pro gehandeld door de motivering te verstrekken, waarin het categoriale beschermingsbeleid en het ontbreken van contra-indicaties zijn genoemd.

De rechtbank wijst het beroep af en veroordeelt partijen niet in de proceskosten. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep is gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang en gedeeltelijk ongegrond verklaard wegens voldoende motivering van de verblijfsvergunning onder artikel 29 lid 1 onder d Vw 2000.

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE
Sector Bestuursrecht
Zittinghoudende te Amsterdam
zaaknummer: AWB 09/35764
V-nr: [V-nr]
uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken
in het geding tussen:
[eiseres],
geboren op [geboortedatum] 1982, van Somalische nationaliteit, eiseres,
gemachtigde: mr. S. Wierink, advocaat te Amsterdam
en:
de minister voor Immigratie en Asiel, de staatssecretaris van Justitie,
verweerder,
gemachtigde: mr. P.P. Zweedijk, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.
Procesverloop
Bij besluit van 13 augustus 2009 heeft verweerder de aanvraag van eiseres van 25 maart 2009 tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 ingewilligd. De verblijfsvergunning is verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000, met ingang van 25 maart 2009, geldig tot 25 maart 2014. Op 18 augustus 2009 heeft eiser een verzoek ingediend om toezending van de motivering van het besluit van 13 augustus 2009. Verweerder heeft op dit verzoek gereageerd bij brief van 19 augustus 2009. Op 1 september 2009 heeft eiseres bezwaar ingediend. Verweerder heeft het bezwaar op 30 september 2009 op grond van artikel 6:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) doorgezonden naar de rechtbank.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 december 2010. Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Overwegingen
1. De rechtbank neemt in de eerste plaats in aanmerking dat eiseres ter zitting heeft toegelicht dat het bezwaarschrift van 1 september 2009 zich richt tegen het asielbesluit van
13 augustus 2009. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat er geen zelfstandige aanvraag om afgifte of verstrekking van de motivering van het besluit van 13 augustus 2009 op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens voorligt.
2.1 Eiseres heeft aangevoerd dat zij bezwaar (en geen beroep) heeft ingesteld omdat verweerder geen voornemen heeft uitgebracht.
2.2 De rechtbank verwerpt deze beroepsgrond omdat in artikel 80 van Pro de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 is bepaald dat artikel 7:1 van Pro de Awb (de bezwaarschriftprocedure) niet van toepassing is. Ingevolge artikel 79, eerste lid, van de Vw 2000 is Afdeling 3 van Hoofdstuk 7 van de wet van toepassing indien beroep wordt ingesteld tegen een besluit omtrent een verblijfsvergunning asiel. Artikel 80 van Pro de Vw 2000 is dan ook van toepassing op het onderhevige besluit van 13 augustus 2009. De rechtbank concludeert dat verweerder het ingediende bezwaarschrift van 1 september 2009 terecht als beroepschrift heeft doorgezonden naar de rechtbank.
3. De rechtbank zal het bezwaarschrift verder behandelen als een beroepschrift dat zich richt tegen het besluit van 13 augustus 2009. Eiseres heeft enerzijds aangevoerd dat niet deugdelijk is gemotiveerd waarom geen verblijfsvergunning op grond van artikel 29, aanhef en onder a, b of c, van de Vw 2000 is verleend. Anderzijds is, naar gesteld, evenmin voldoende gemotiveerd waarom (wel) een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, aanhef en onder d, van de wet is verleend.
4.1 De rechtbank overweegt ten aanzien van de vraag of is gemotiveerd dat eiseres niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b of c, van de Vw 2000, als volgt.
4.1.1. Verweerder heeft erop gewezen dat in feite sprake is van doorprocederen voor een andere verleningsgrond hetgeen tegen de bedoeling van de wetgever is. De rechtbank volgt verweerder hierin en wijst op de uitspraken van 28 maart 2002 (JV 2002,153) en
22 november 2002 (JV 2003,17) van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (hierna: de Afdeling).
De Afdeling heeft daarin bepaald dat er op grond van de wetshistorie en de in dat kader door de (toenmalige) staatssecretaris gedane toezeggingen van moet worden uitgegaan dat het besluit, waarbij de vreemdeling een verblijfsvergunning op de voet van artikel 29, eerste lid 1, aanhef en onder d Vw 2000 is verleend, niet in rechte onaantastbaar wordt, voor zover daarin ligt besloten dat geen aanspraak bestaat op een verblijfsvergunning uit hoofde van de gronden a t/m c van het eerste lid van artikel 29 van Pro de Vw 2000. Gelet hierop, heeft de vreemdeling hangende de geldigheidsduur van de hem verleende vergunning geen belang bij het instellen van beroep tegen het daaraan ten grondslag liggende besluit. Zulk belang kan ontstaan, indien op de voet van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 tot intrekking dan wel niet-verlenging van die vergunning wordt besloten. Op dat moment zal de ter zake bevoegde rechter kunnen treden in een oordeel over de grond waarop de verblijfsvergunning is verleend en de gronden waarop die niet is verleend.
4.1.2. De rechtbank oordeelt dat eiseres gelet op het bovenstaande in beginsel geen belang heeft bij de beoordeling van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a,b of c, van de wet omdat zij op dit moment rechtmatig verblijf heeft op grond van de verleende verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000. Eiseres heeft verwezen naar de uitspraak van 26 juni 2008 (JV 2008,307) van de Afdeling, maar deze uitspraak past in de hierboven weergegeven lijn van de Afdeling en kan dus niet tot een andere conclusie leiden. Voorts heeft eiseres aangevoerd dat verweerders oordeel over de geloofwaardigheid van haar asielrelaas van belang kan zijn bij de beoordeling van de aanvragen voor een verblijfsvergunning voor haar nareizende familieleden. De rechtbank overweegt dat weliswaar denkbaar is dat hieraan procesbelang zou kunnen worden ontleend, maar op dit moment is onvoldoende geconcretiseerd dat daarvan thans in het geval van eiseres sprake is. De rechtbank verklaart het beroep in zoverre niet-ontvankelijk.
4.2 De rechtbank overweegt als volgt ten aanzien van de vraag of voldoende is gemotiveerd dat eiseres in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000.
In het bestreden besluit wordt vermeld dat de verblijfsvergunning van eiseres is verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000. Bij brief van
19 augustus 2009 heeft verweerder, reagerend op het verzoek van 18 augustus 2009 van eiseres om de motivering van het besluit, onder meer meegedeeld dat de verblijfsvergunning is verleend op grond van het categoriale beschermingsbeleid dat werd gevoerd en het ontbreken van contra-indicaties. De rechtbank concludeert dat verweerder hiermee conform de in artikel 3:48, tweede lid, van de Awb heeft gehandeld. Het beroep is in zoverre ongegrond.
5. Zoals hiervoor is uiteengezet verklaart de rechtbank het beroep gedeeltelijk niet-ontvankelijk (rechtsoverweging 4.1.2) en gedeeltelijk ongegrond (rechtsoverweging 4.2).
6. De rechtbank is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten.
Beslissing
De rechtbank,
in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 09/35764,
- verklaart het beroep voor zover het betrekking heeft op de vergunningverlening ongegrond.
- verklaart het beroep voor het overige niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Mans, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. E.E. van Wiggen – van der Hoek, griffier, en in het openbaar uitgesproken op
10 december 2010.
De griffier De rechter
Afschrift verzonden op:
Conc.: EW
Coll.: MvM
D: C
VK
Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van Pro de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van Pro de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.