ECLI:NL:RBSGR:2010:BP0914
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van beroep tegen verlening verblijfsvergunning op grond van artikel 29 lid 1 onder d Vreemdelingenwet 2000
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 13 augustus 2009 waarbij haar een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d van de Vreemdelingenwet 2000. Zij betoogt dat niet voldoende is gemotiveerd waarom geen vergunning is verleend op grond van de andere subartikelen a, b of c, en dat de motivering voor de verlening onder d ontoereikend is.
De rechtbank oordeelt dat eiseres geen procesbelang heeft bij de beoordeling van de verleningsgronden a, b of c omdat zij reeds rechtmatig verblijf geniet op grond van de verleende vergunning onder d. Doorprocederen op andere gronden is tegen de bedoeling van de wetgever. Wel is denkbaar dat het oordeel over de geloofwaardigheid van het asielrelaas relevant kan zijn voor aanvragen van nareizende familieleden, maar dit belang is onvoldoende geconcretiseerd.
De rechtbank verklaart het beroep daarom voor zover het ziet op de gronden a, b of c niet-ontvankelijk en voor zover het ziet op de motivering van de verlening onder d ongegrond. Verweerder heeft conform artikel 3:48 Awb Pro gehandeld door de motivering te verstrekken, waarin het categoriale beschermingsbeleid en het ontbreken van contra-indicaties zijn genoemd.
De rechtbank wijst het beroep af en veroordeelt partijen niet in de proceskosten. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep is gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang en gedeeltelijk ongegrond verklaard wegens voldoende motivering van de verblijfsvergunning onder artikel 29 lid 1 onder d Vw 2000.