ECLI:NL:RBSGR:2011:BP9652
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- D.A. Verburg
- H. Gorter
- P.K. Nihot
- Rechtspraak.nl
Ongewenstverklaring voormalige KhAD/WAD-officier op grond van artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag
Eiser, een voormalige officier van de Afghaanse veiligheidsdiensten KhAD/WAD, is ongewenst verklaard op grond van artikel 67 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 vanwege betrokkenheid bij ernstige mensenrechtenschendingen. De rechtbank onderzoekt of verweerder terecht artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag aan eiser mocht tegenwerpen.
De rechtbank overweegt dat het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van 29 februari 2000, dat stelt dat alle (onder)officieren van de KhAD/WAD persoonlijk betrokken waren bij arrestaties, martelingen en executies, voldoende betrouwbaar is. De door eiser ingebrachte brieven en rapporten van de UNHCR en anderen bieden geen concreet aanknopingspunt voor twijfel aan dit ambtsbericht.
Het arrest van het HvJEU van 9 november 2010 (Duitsland tegen B. en D.) wordt uitgebreid besproken. De rechtbank concludeert dat verweerder zorgvuldig en geïndividualiseerd heeft onderzocht dat eiser knowing and personal participation had in de mensenrechtenschendingen. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij geen kennis had van deze misdrijven.
De rechtbank oordeelt verder dat de belangenafweging tussen het recht op gezinsleven van eiser en het belang van de Nederlandse staat bij de ongewenstverklaring zorgvuldig en rechtvaardig is gemaakt, conform artikel 8 EVRM Pro en relevante jurisprudentie. Hoewel eiser niet kan worden uitgezet vanwege artikel 3 EVRM Pro, is er geen sprake van een duurzame belemmering voor uitzetting, noch een uitzonderlijke situatie die verblijfsrecht zou rechtvaardigen.
Gelet op het voorgaande verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en bevestigt de ongewenstverklaring van eiser.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de ongewenstverklaring van eiser.