ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ7727
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- A. van ‘t Laar
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid maatregel van bewaring en consulaire bijstand bij Duitse vreemdeling
Eiser, die de Duitse nationaliteit stelt te bezitten maar geen identiteitsdocumenten overlegt, is op 17 mei 2011 een maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank oordeelt dat de maatregel van ophouding voorafgaand aan de inbewaringstelling rechtmatig was en dat de termijn van zes uren niet is overschreden.
De rechtbank stelt dat het aan eiser is om zijn identiteit en nationaliteit aannemelijk te maken. Verweerder heeft voldoende onderzoek gedaan, waaronder contact met de Duitse en Oostenrijkse consulaire vertegenwoordiging, maar eiser kon zijn EU-nationaliteit niet ondubbelzinnig bewijzen. De omstandigheden waaronder de maatregel werd opgelegd, zoals het ontbreken van documenten, geen vaste verblijfplaats en het ontbreken van middelen van bestaan, rechtvaardigen de bewaring.
Ten aanzien van het recht op consulaire bijstand is geoordeeld dat verweerder heeft voldaan aan zijn verplichtingen, mede doordat eiser geen contact met de Duitse vertegenwoordiging wenste. De rechtbank ziet geen disproportionaliteit in de maatregel en verklaart het beroep ongegrond. Tevens wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen en worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.