ECLI:NL:RBSGR:2011:BR2867
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid maatregel van vreemdelingenbewaring bij weigering identiteit vast te stellen
Eiser werd op 6 juli 2011 in vreemdelingenbewaring gesteld omdat hij weigerde zijn identiteit en nationaliteit vast te stellen, geen identiteitspapieren overhandigde en zich niet aanmeldde bij de korpschef. Verweerder legde de maatregel op op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 en het ontbreken van een identiteitspapier als bedoeld in artikel 4.21 van het Vreemdelingenbesluit.
Eiser voerde aan dat de ophouding en bewaring onrechtmatig waren, onder meer wegens het ontbreken van nader onderzoek, schending van het recht op rechtsbijstand, te late uitreiking van besluiten, en het ontbreken van een vertrektermijn conform de Terugkeerrichtlijn. Verweerder stelde dat de maatregel rechtmatig was, dat eiser onvoldoende meewerkte en dat er een redelijk vooruitzicht op verwijdering bestond.
De rechtbank oordeelde dat de ophouding onrechtmatig was wegens onvoldoende onderzoek, maar dat dit gebrek niet leidde tot onrechtmatigheid van de daaropvolgende bewaring, gelet op het weigeren van medewerking door eiser. De rechtbank stelde dat verweerder terecht de omstandigheden van het ontbreken van identiteitspapieren, geen vaste verblijfplaats en het niet aanmelden bij de korpschef aan de maatregel ten grondslag legde. De rechtbank verwierp de overige beroepsgronden, waaronder de schending van het recht op rechtsbijstand en de toepassing van het EVRM.
De rechtbank concludeerde dat de maatregel van bewaring niet in strijd was met de Vreemdelingenwet 2000 en dat het beroep ongegrond was. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.