ECLI:NL:RBSGR:2008:BG5830
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van ophouding op grond van artikel 50, tweede lid, Vreemdelingenwet 2000
Eiser werd op 31 oktober 2008 opgehouden op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, na een strafrechtelijk voortraject. Hij stelde dat ten aanzien van hem geen redelijk vermoeden van illegaal verblijf bestond en dat de ophouding onrechtmatig was, tevens verzocht hij om schadevergoeding.
De rechtbank overwoog dat de bevoegdheid tot staandehouding als bedoeld in artikel 50, eerste lid, niet was toegepast, waardoor het vereiste van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf bij staandehouding niet gold. Voor de ophouding op grond van het tweede lid was echter wel een grond aanwezig, omdat de identiteit van eiser bij de strafrechtelijke aanhouding niet kon worden vastgesteld, wat rechtvaardigde dat verweerder nader onderzoek verrichtte en tot ophouding overging.
Het betoog dat verweerder misbruik had gemaakt van zijn bevoegdheid werd verworpen. De rechtbank sloot zich aan bij eerdere jurisprudentie dat het beheersen van de Nederlandse taal niet automatisch duidt op Nederlandse nationaliteit. Er was geen aanwijzing dat de maatregel zonder redelijk doel was toegepast.
De rechtbank concludeerde dat de ophouding niet in strijd was met de Vreemdelingenwet en dat de belangenafweging rechtvaardigde dat de maatregel gerechtvaardigd was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de ophouding werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.