ECLI:NL:RBSGR:2011:BR5503
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning wegens beëindiging categoriaal beschermingsbeleid en gebrek aan positieve overtuigingskracht asielrelaas
Eiseres, van Iraakse nationaliteit, kreeg in 2005 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van het categoriaal beschermingsbeleid voor Centraal-Irak. Verweerder trok deze vergunning in per 22 november 2008 omdat het beschermingsbeleid was beëindigd. Eiseres voerde aan dat zij slachtoffer was van valse documenten en dat terugkeer naar Irak haar blootstelt aan een schending van artikel 3 EVRM Pro.
De rechtbank overweegt dat het gebruik van een vals document en het ontbreken van reisdocumenten aan eiseres kunnen worden toegerekend, mede omdat zij haar documenten aan een reisagent heeft afgestaan terwijl zij zich legaal in Turkije bevond. Het asielrelaas van eiseres mist positieve overtuigingskracht, mede omdat het afhankelijk is van het ongeloofwaardige relaas van haar vader.
Verder is vastgesteld dat vrouwen in Irak niet als kwetsbare minderheidsgroep worden aangemerkt en dat de situatie in Irak niet zodanig is dat terugkeer leidt tot een risico op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro. De enkele aanname van een westerse levensstijl in Nederland rechtvaardigt geen ander oordeel.
De rechtbank verwijst naar jurisprudentie van het EHRM en de Afdeling bestuursrechtspraak en concludeert dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat eiseres niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b van de Vreemdelingenwet 2000. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard omdat het beschermingsbeleid is beëindigd en het asielrelaas onvoldoende overtuigend is.