ECLI:NL:RBSGR:2011:BU4459
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing vreemdelingenbewaring na schorsing besluit verblijfsbeëindiging en ongewenstverklaring
Eiser werd op 12 oktober 2011 in vreemdelingenbewaring gesteld nadat zijn verblijfsrecht was beëindigd en hij ongewenst was verklaard. Tegen dit besluit maakte eiser bezwaar en verzocht om een voorlopige voorziening. Op 26 oktober 2011 schortte de voorzieningenrechter de rechtsgevolgen van het besluit tot verblijfsbeëindiging en ongewenstverklaring, waardoor eiser opnieuw rechtmatig verblijf in Nederland verkreeg.
De rechtbank oordeelde dat voortzetting van de maatregel van bewaring in strijd was met artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, omdat eiser sinds de schorsing van het besluit rechtmatig verbleef. De rechtbank verwierp de stelling van verweerder dat schorsing van een besluit tot ongewenstverklaring niet tot rechtmatig verblijf kan leiden.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, beval de onmiddellijke opheffing van de bewaring en kende eiser een schadevergoeding toe van €640 voor acht dagen onrechtmatige detentie. Tevens werden proceskosten van €1.092,50 toegewezen, te betalen door de griffier van de rechtbank. De uitspraak bevestigt dat schorsing van een verblijfsbeëindigend besluit rechtmatig verblijf kan herstellen en bewaring onrechtmatig maakt.
Uitkomst: De rechtbank beveelt onmiddellijke opheffing van de vreemdelingenbewaring en kent een schadevergoeding toe wegens onrechtmatige bewaring.