ECLI:NL:RBSGR:2011:BU8321
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing vreemdelingenbewaring wegens ontbreken concreet zicht op uitzetting naar Somalië
De minister van Immigratie en Asiel legde aan meerdere personen van Somalische afkomst de maatregel van vreemdelingenbewaring op. Eisers stelden dat er geen concreet zicht op uitzetting bestond, mede gelet op het Europese Hof voor de Rechten van de Mens-arrest inzake Sufi en Elmi, en dat de bewaring onrechtmatig was opgelegd. De rechtbank constateerde dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eisers niet vaststonden en dat het Memorandum of Understanding met Somaliland niet werd uitgevoerd, waardoor geen zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn bestond.
De rechtbank oordeelde dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom wel zicht op uitzetting zou bestaan, ook niet met betrekking tot Zuid- en Centraal-Somalië, mede vanwege het ontbreken van veilige terugkeermogelijkheden en vestigingsalternatieven. De enkele stelling dat eisers documenten moesten aanleveren achtte de rechtbank onredelijk. Verder bleek uit verklaringen dat geen concrete uitzettingshandelingen waren ondernomen.
Op grond hiervan verklaarde de rechtbank de beroepen gegrond, beval onmiddellijke opheffing van de bewaringen en kende aan iedere eiser een schadevergoeding van €1280 toe. Tevens werd de minister veroordeeld in de proceskosten van iedere eiser. De overige beroepsgronden behoefden geen behandeling meer.
Uitkomst: De maatregel van vreemdelingenbewaring wordt per direct opgeheven wegens ontbreken concreet zicht op uitzetting, met toekenning van schadevergoeding aan eisers.