ECLI:NL:RVS:2011:BT1935
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank wegens ontbreken redelijk vooruitzicht op uitzetting naar Somaliland
De vreemdeling was in vreemdelingenbewaring gesteld op 5 juni 2011. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze maatregel ongegrond op 23 juni 2011. De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Raad van State.
De kern van het geschil betrof de vraag of er een redelijk vooruitzicht bestond op uitzetting naar Somaliland. De minister stelde ter zitting dat uitzettingen naar Noord-Somalië nog steeds plaatsvinden, terwijl de vreemdeling zich op landgebonden informatie van de Dienst Terugkeer en Vertrek beriep waaruit bleek dat de uitvoering van het Memorandum of Understanding (MoU) door de autoriteiten van Somaliland sinds begin januari 2010 was opgeschort, waardoor gedwongen terugkeer niet mogelijk was.
De Raad van State oordeelde dat de minister geen nieuwe feiten of omstandigheden had aangevoerd die het redelijk vooruitzicht op uitzetting konden onderbouwen. Daarom kon de rechtbank niet zonder nadere motivering tot haar oordeel komen. De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank, en verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond. Tevens werd een schadevergoeding toegekend en de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling gegrond verklaard wegens ontbreken van redelijk vooruitzicht op uitzetting.