ECLI:NL:RBSGR:2012:BV2106
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid maatregel van bewaring en vooruitzicht op verwijdering naar centraal- en zuid-Somalië
Eiser, van Somalische nationaliteit, werd op 14 december 2011 in bewaring gesteld wegens het ontbreken van geldige identiteitspapieren, ongewenstverklaring en het niet naleven van vertrektermijnen. Hij stelde beroep in tegen de maatregel en voerde onder meer aan dat de maximale ophoudingsduur was overschreden en dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering naar Somalië zou zijn.
De rechtbank stelde vast dat de ophoudingsduur niet langer was dan zes uur, aangezien de tijd tussen middernacht en 9 uur 's ochtends niet wordt meegerekend. De overige gronden voor bewaring werden door eiser niet betwist en konden de maatregel dragen. De rechtbank benadrukte dat in procedures over inbewaringstelling alleen de rechtmatigheid van de maatregel wordt getoetst, niet de asielgerelateerde bescherming op grond van artikel 3 EVRM Pro.
Met betrekking tot het vooruitzicht op verwijdering verwees de rechtbank naar het arrest van het EHRM in de zaken Sufi en Elmi, waarin is bepaald dat verwijdering naar centraal- en zuid-Somalië in beginsel een schending van artikel 3 EVRM Pro oplevert, tenzij aan specifieke feitelijke voorwaarden wordt voldaan. Gezien de tegenstrijdige en weinig concrete verklaringen van eiser over zijn verblijf en familie in Somalië, wordt verweerders beoordeling bemoeilijkt, maar dit leidt niet tot het oordeel dat verwijdering niet mogelijk is.
Ten slotte oordeelde de rechtbank dat verweerder voldoende voortvarend had gehandeld in het verwijderingstraject, ondanks het ontbreken van een vertrekgesprek vanwege eisers weigering. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af.