ECLI:NL:RBSGR:2012:BV9036
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning wegens opheffing beschermingsbeleid Irak en gegronde vrees voor vervolging
Eiser, een Iraakse vreemdeling, kreeg in 2008 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd toegekend. In 2011 werd deze vergunning ingetrokken vanwege de opheffing van het categoriale beschermingsbeleid voor Centraal-Irak. Eiser stelde dat hij in Irak ontvoerd en mishandeld was, zijn broer ontvoerd en vermist werd, en dat zijn familie slachtoffer was van een autobom. Tevens vreesde hij eerwraak en vervolging vanwege zijn sjiitische achtergrond en vermogende familie.
De vreemdelingendienst achtte het asielrelaas grotendeels geloofwaardig, maar vond de vermoedens omtrent de ontvoering van zijn broer onvoldoende onderbouwd en meende dat eiser geen gegronde vrees had voor vervolging. De rechtbank oordeelde dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom eiser geen gegronde vrees zou hebben, zowel ten tijde van de vergunningverlening als in de huidige situatie, mede gelet op het ambtsbericht dat sjiieten en vermogende families doelwit zijn van geweld.
De rechtbank vernietigde het besluit tot intrekking wegens motiveringsgebrek en veroordeelde de staat tot vergoeding van de proceskosten van eiser. Het beroep werd gegrond verklaard en verweerder werd opgedragen binnen vier weken een nieuw besluit te nemen.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning is gegrond verklaard en het besluit vernietigd wegens onvoldoende motivering.