ECLI:NL:RBSGR:2012:BW8755
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit verblijfsvergunning wegens onvoldoende motivering vertrouwen vreemdeling
De zaak betreft een beroep tegen het besluit van 21 juni 2011 waarbij de aanvraag van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor een minderjarige vreemdeling werd afgewezen. De rechtbank heeft eerder een tussenuitspraak gedaan waarin het beroep van de moeder ongegrond werd verklaard, maar het beroep van de minderjarige werd heropend voor nadere beoordeling.
De Minister heeft op 9 maart 2012 een aanvullende beslissing genomen, die echter niet als een nieuw besluit werd aangemerkt en het eerdere besluit van 21 juni 2011 ongewijzigd liet. De rechtbank oordeelt dat de Minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het vertrouwen dat de vreemdeling mocht ontlenen aan de afgegeven machtiging tot voorlopig verblijf niet gerechtvaardigd zou zijn.
De rechtbank stelt vast dat de nationaliteitseis van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000 is voldaan, mede omdat het kind de Somalische nationaliteit bezit via zijn vader. De argumenten van de Minister om dit te betwisten zijn onvoldoende en buiten de grenzen van het geding. Het beroep van de minderjarige wordt daarom gegrond verklaard en het besluit vernietigd.
De rechtbank veroordeelt de Minister tevens in de proceskosten van de minderjarige, vastgesteld op € 1.092,50 voor rechtsbijstand. Het beroep van de moeder blijft ongegrond. De uitspraak bevestigt het belang van een deugdelijke motivering bij besluiten omtrent verblijfsvergunningen en het recht op vertrouwen bij afgegeven machtigingen.
Uitkomst: Het beroep van de minderjarige wordt gegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning vernietigd wegens onvoldoende motivering.