ECLI:NL:RBSGR:2012:BV6299
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Tussenuitspraak over nationaliteit en gezinshereniging bij verblijfsvergunning asiel
Eisers, een vrouw en haar minderjarige zoon, vroegen een verblijfsvergunning asiel aan na ontvangst van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) op basis van hun vermeende Somalische nationaliteit. De minister voor Immigratie en Asiel wees de aanvragen af wegens twijfel aan de juistheid van de nationaliteit van eiseres. De rechtbank bevestigt dat eiseres onjuist heeft verklaard over haar nationaliteit, mede omdat zij de Somalische taal niet beheerst en geen basale informatie over haar geboorteplaats kon geven.
De rechtbank oordeelt dat de minister terecht de mvv heeft verstrekt op basis van onjuiste gegevens en dat het vertrouwen op verlening van een verblijfsvergunning daardoor niet gerechtvaardigd is. Het beroep op het recht op gezinsleven uit artikel 8 EVRM Pro en de Gezinsherenigingsrichtlijn wordt verworpen, omdat deze niet van toepassing zijn in de asielprocedure.
Ten aanzien van de zoon, die volgens de Somalische nationaliteitswetgeving wel de Somalische nationaliteit bezit, is niet voldaan aan de voorwaarde van feitelijke gezinsband in het land van herkomst. De rechtbank stelt dat de minister voor deze aanvraag opnieuw moet beslissen en het vertrouwen op verlening van de vergunning nader moet motiveren of de vergunning alsnog moet verlenen.
De rechtbank doet een tussenuitspraak en verzoekt de minister binnen vier weken schriftelijk te melden of hij gebruik maakt van de gelegenheid om het besluit te herzien. Deze procedure dient ter finale geschilbeslechting.
Uitkomst: De rechtbank stelt de minister in de gelegenheid om binnen de beroepsprocedure opnieuw te beslissen over de aanvraag van eiser.