ECLI:NL:RBSGR:2012:BX3455
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing maatschappelijke opvang wegens voorliggende voorziening en rechtmatig verblijf
Eisers, een gezin met Azerbeidzjaanse nationaliteit, vroegen maatschappelijke opvang aan op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Verweerder wees dit af omdat eisers geen rechtmatig verblijf in Nederland hebben en omdat er sprake is van een voorliggende voorziening, namelijk de vrijheidsbeperkende locatie (VBL) waar zij op grond van de Vreemdelingenwet 2000 (artikel 56) kunnen worden opgevangen.
Eisers stelden dat zij als kwetsbare personen op grond van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (artikel 8 EVRM Pro) aanspraak maken op opvang en dat het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel om opvang te creëren onrechtmatig is. De rechtbank oordeelde dat de DT&V het bevoegde bestuursorgaan is voor het opleggen van een dergelijke maatregel en dat eisers zich tot hen moeten wenden.
De rechtbank volgde de Centrale Raad van Beroep in het oordeel dat de VBL een voorliggende voorziening is in de zin van de Wmo. De vraag of de vrijheidsbeperkende maatregel aan eisers kan worden opgelegd, behoort tot het oordeel van de vreemdelingenrechter. Omdat eisers geen argumenten hadden aangevoerd die voorshands uitsluiten dat de maatregel kan worden opgelegd, werd het beroep ongegrond verklaard.
Het verzoek om een voorziening op grond van artikel 8:72, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht werd eveneens afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van maatschappelijke opvang wordt ongegrond verklaard omdat eisers gebruik kunnen maken van een voorliggende voorziening via de DT&V.