ECLI:NL:CRVB:2014:866
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag maatschappelijke opvang voor uitgeprocedeerde asielzoekers
Appellanten, uitgeprocedeerde asielzoekers en kwetsbare personen, vroegen maatschappelijke opvang aan bij het college van burgemeester en wethouders van Den Haag. Het college wees dit af omdat zij niet rechtmatig in Nederland verbleven en zich tot de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) konden wenden voor opvang in een vrijheidsbeperkende locatie (VBL).
De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten ongegrond en oordeelde dat het college terecht had geoordeeld dat zij gebruik konden maken van voorzieningen in een VBL. Appellanten voerden in hoger beroep aan dat zij niet verplicht konden worden om een vrijheidsbeperkende maatregel te vragen en dat alleenstaande minderjarigen niet worden toegelaten tot de VBL.
De Raad overwoog dat appellanten, ondanks hun kwetsbare status, geen recht hadden op maatschappelijke opvang omdat zij zich konden wenden tot de DT&V voor een VBL. Het feit dat zij om persoonlijke redenen hiervan afzagen, kon niet leiden tot een recht op opvang via de Wmo. De Raad bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag voor maatschappelijke opvang is bevestigd omdat appellanten zich tot een vrijheidsbeperkende locatie kunnen wenden.