ECLI:NL:CRVB:2012:BX5814

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 augustus 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
12-4089 WMO-VV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 21 BeroepswetArt. 18 BeroepswetArt. 56 Vreemdelingenwet 2000Art. 8 EVRM
Verwijzingen
12 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening maatschappelijke opvang broers zonder rechtmatig verblijf

Verzoeker en zijn minderjarige broer, beiden zonder rechtmatig verblijf in Nederland, hebben via hun vader meerdere malen maatschappelijke opvang aangevraagd bij het college van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage, welke steeds werd afgewezen. De vader en zijn zoons verbleven tijdelijk in een vrijheidsbeperkende locatie (VBL) op grond van artikel 56 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, maar deze maatregel werd opgeheven vanwege vertrek zonder bericht.

Na het vertrek van de vader zijn de broers feitelijk opgevangen bij Jeugdformaat, een voorziening op grond van de Wet justitiële jeugdzorg (Wjz), waarbij Nidos als voogdijinstelling het belang van de minderjarige broer centraal stelt en het contact tussen de broers ondersteunt. De voorzieningenrechter stelt vast dat zolang het in het belang van de minderjarige broer is, verzoeker feitelijk opvang geniet bij Jeugdformaat en dat het college daarom geen noodzaak ziet om maatschappelijke opvang op grond van de Wmo te bieden.

Indien de omstandigheden wijzigen en het niet langer in het belang van de minderjarige broer is dat zij samen verblijven, kan verzoeker zich wenden tot de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) om gebruik te maken van voorzieningen in een vrijheidsbeperkende locatie op basis van artikel 56 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De voorzieningenrechter acht de VBL als een voorliggende voorziening en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

De uitspraak bevestigt dat het ontbreken van rechtmatig verblijf en het bestaan van voorliggende opvangvoorzieningen zoals de VBL en Jeugdformaat het recht op maatschappelijke opvang op grond van de Wmo uitsluit. Het verzoek om een ordemaatregel tot het bieden van opvang wordt daarom afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tot maatschappelijke opvang wordt afgewezen omdat feitelijke opvang via Jeugdformaat wordt geboden en de VBL als voorliggende voorziening geldt.

Uitspraak

12/4089 WMO-VV
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening
Partijen:
[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
het college van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage (college)
Datum uitspraak: 22 augustus 2012
PROCESVERLOOP
Namens verzoeker heeft mr. W.G. Fischer, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 18 juli 2012, 12/2529, (aangevallen uitspraak). Tevens is een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.
Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaak met nummer 12/4088 van [S.], plaatsgevonden op 30 juli 2012. Voor verzoeker is verschenen mr. E.C. Cerezo-Weijsenfeld, advocaat. De voorzieningenrechter heeft het onderzoek ter zitting geschorst.
Het onderzoek ter zitting is, gevoegd met de zaak met nummer 12/4088 van [S.], voortgezet op 20 augustus 2012. Voor verzoeker is verschenen mr. Fischer. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. van Dam. De zaak met nummer 12/4088 is ter zitting van 20 augustus 2012 ingetrokken. In de zaak met nummer 12/4089 wordt thans uitspraak gedaan.
OVERWEGINGEN
1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1. Verzoeker, geboren [in] 1993, is samen met zijn vader, [naam vader], en zijn minderjarige broer [S.] ([S.]), geboren [in] 1995, naar Nederland gekomen. Zij hebben de Azerbeidjaanse nationaliteit. De vader heeft voor zichzelf en zijn zoons op 25 juni 2010 noodopvang in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) aangevraagd. Bij besluit van 27 juni 2010 heeft het college deze aanvraag afgewezen. Nadien is aan de vader met zijn zoons door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) opvang geboden. Deze opvang is door het COA gestaakt. Vervolgens is aan de vader en zijn zoons een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 56 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd op grond waarvan zij zich moesten ophouden in de vrijheidsbeperkende locatie (VBL) te Gilze. Op 14 november 2011 is deze maatregel opgeheven vanwege vertrek zonder bericht.
1.2. Bij aanvraag van 18 november 2011 heeft de vader voor zichzelf en zijn zoons wederom maatschappelijke opvang in het kader van de Wmo aangevraagd. Het college heeft dit verzoek bij besluit van 19 december 2011 afgewezen.
1.3. Bij besluit van 12 maart 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 19 december 2011 ongegrond verklaard. Het college heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat de vader en zijn zoons geen rechtmatig verblijf hebben in Nederland zodat zij geen recht hebben op opvang. Indien zij dienen te worden aangemerkt als kwetsbare personen in de zin van artikel 8 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), dan kunnen zij eerst voor opvang in aanmerking komen indien er geen sprake is van een voorliggende voorziening. De VBL is volgens het college een voorliggende voorziening waarvan zij gebruik kunnen maken, zodat zij op grond hiervan evenmin in aanmerking komen voor opvang. De Dienst Terugkeer en Vertrek van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (DT&V) heeft toegezegd dat indien zij zich melden, opnieuw de vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 56 van Pro de Vw zal worden opgelegd. Op grond van deze maatregel kunnen zij gezamenlijk worden opgevangen in een VBL aldus het college.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.
3. Verzoeker heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Volgens verzoeker kan de VBL niet als voorliggende voorziening worden aangemerkt. In het kader van de onderhavige procedure heeft verzoeker verzocht het college de ordemaatregel op te leggen om hem adequate opvang als bedoeld in de Wmo te bieden.
4. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Ingevolge artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van Pro de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4.2. De voorzieningenrechter stelt vast dat ten tijde van het indienen van het hoger beroep en het verzoek om voorlopige voorziening de vader met onbekende bestemming was vertrokken. Via het crisisinterventieteam zijn de beide broers bij de crisisopvang van Jeugdformaat geplaatst. Verder heeft de Raad voor de Kinderbescherming, naar aanleiding van een verzoek van bureau jeugdzorg tot het doen van onderzoek, een verzoek bij de kinderrechter ingediend om de Stichting Nidos (Nidos) te belasten met de voorlopige voogdij over [S.]. Dit verzoek is bij beschikking van 30 juli 2012 (zaaknummer 423667) toegewezen. Ook is bekend dat bureau jeugdzorg, als uitvoerder van de Wjz, inmiddels voor [S.] een indicatiebesluit heeft genomen op basis waarvan hij tot zijn achttiende jaar bij Jeugdformaat opgevangen kan worden.
4.3. In de door verzoeker overgelegde brief van N. Oran, jeugdbeschermer bij Nidos, van 10 augustus 2012 wordt toegelicht dat Nidos bij de uitoefening van zijn taak als onafhankelijke (gezins-)voogdijinstelling voor Alleenstaande Minderjarige Asielzoekers, het belang van de individuele jongere centraal stelt. Nidos voert de regie over de ontwikkeling van de jongere naar zelfstandigheid en grijpt in wanneer die ontwikkeling op enigerlei wijze dreigt te stagneren. Volgens Nidos is het voor de continuïteit in opvoeding, toekomstperspectief en verzorging belangrijk dat het basisvertrouwen tussen [S.] en verzoeker in stand wordt gehouden, omdat de broers sinds de verdwijning van hun vader alleen steun aan elkaar hebben. Daarom is het voor [S.] van belang dat hij niet gescheiden wordt van verzoeker, om welke reden verzoeker eveneens een plek dient te krijgen bij Jeugdformaat, waarvoor nog een financiële voorziening moet komen. De jeugdbeschermer zal de broers begeleiden en ondersteunen met het werken aan een realistisch toekomstperspectief.
4.4. Ter zitting is besproken dat verzoeker in het belang van [S.] feitelijk opvang geniet bij Jeugdformaat op dezelfde locatie als [S.], aanvankelijk tot 15 augustus 2012 en vervolgens tot 20 augustus 2012. Verder is niet gebleken dat Jeugdformaat verzoeker te kennen heeft gegeven na 20 augustus 2012 niet langer gebruik te mogen maken van de plek bij Jeugdformaat. Voorts is besproken dat Jeugdformaat een voorziening op grond van de Wjz betreft en dat bureau jeugdzorg belast is met de taken die uit de Wjz voortvloeien. Nu sprake is van een door Nidos onderbouwd belang voor [S.] dat hij niet gescheiden dient te worden van verzoeker en dat op basis daarvan verzoeker tot dusver feitelijk opvang in het kader van de Wjz is geboden, bestaat er geen aanleiding ervan uit te gaan dat deze opvang voor verzoeker niet langer toegankelijk zal zijn, zolang dit in het belang van [S.] is. Onder deze omstandigheden bestaat er thans voor het college geen noodzaak om verzoeker opvang in het kader van de Wmo te bieden.
4.5. Voor het geval de omstandigheden (nog voor de meerderjarigheid van [S.]) wijzigen en het niet langer in het belang van [S.] is dat verzoeker bij hem op dezelfde locatie verblijft, overweegt de voorzieningenrechter het volgende.
4.6. Met de rechtbank en anders dan verzoeker is de voorzieningenrechter van oordeel dat van verzoeker in het zich voordoende geval verlangd kan worden zich tot de DT&V te wenden teneinde op grond van een maatregel als bedoeld in artikel 56 van Pro de Vw gebruik te kunnen maken van de in een VBL aanwezige voorzieningen. De rechtbank heeft in dat verband terecht verwezen naar de uitspraak van de Raad van 20 juni 2012 (LJN BW8957). Weliswaar is in het geval van verzoeker, anders dan in de genoemde uitspraak, momenteel een dergelijke maatregel niet van kracht, maar zoals onder 1.1 is vermeld, gold een dergelijke maatregel voor verzoeker wel tot 14 november 2011 en is die alleen opgeheven wegens vertrek zonder bericht. Nu op grond van de voorhanden gegevens moet worden aangenomen dat de DT&V verzoeker de vrijheidsbeperkende maatregel zal opleggen wanneer hij daarom verzoekt, dient deze als voorliggend aan opvang in het kader van de Wmo te worden aangemerkt. Om deze reden bestaat er voor het college geen reden om verzoeker opvang in het kader van de Wmo te bieden.
4.7. Gelet op hetgeen onder 4.4 en 4.6 is overwogen komt het verzoek om toepassing van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb niet voor inwilliging in aanmerking.
5. Voor bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht af.
Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2012.
(getekend) R.M. van Male
(getekend) J.T.P. Pot
HD