ECLI:NL:RBSGR:2012:BX3782
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen intrekking verblijfsvergunning asiel wegens ontbreken van nieuwe feiten
Eiser, van Iraakse nationaliteit, kreeg in 2007 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd toegekend op grond van humanitaire redenen. Verweerder trok deze vergunning in 2011 in omdat de rechtsgrond voor verlening was komen te vervallen, mede door beëindiging van het categoriale beschermingsbeleid voor Centraal-Irak.
Eiser diende een herhaalde aanvraag in en voerde aan dat nieuwe feiten (nova) bestonden, waaronder bedreiging door de Al Mahdi militie in 2009 en verslechterde veiligheidssituatie in Irak, ondersteund door diverse rapporten uit 2010-2011. De rechtbank oordeelde dat deze feiten onvoldoende onderbouwd waren en niet afdoen aan eerdere conclusies dat positieve overtuigingskracht ontbrak.
De rechtbank overwoog dat de verslechterde veiligheidssituatie in Irak, met name in Bagdad, niet zodanig was dat het beroep op subsidiaire bescherming op grond van artikel 15c van de Definitierichtlijn kon slagen. Diverse rapporten en jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak werden betrokken bij dit oordeel.
Omdat geen relevante nieuwe feiten of omstandigheden waren aangetoond, kon de rechtbank niet inhoudelijk toetsen en verklaarde het beroep ongegrond. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning asiel wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.