ECLI:NL:RBSHE:2008:BC6917

Rechtbank 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
3 maart 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 07/2258
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • E.H.B.M. Potters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 6:10 AwbArt. 7:1 AwbArt. 7:11 AwbArt. 8:72 Awb
Verwijzingen
11 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen informatieve brief arbeidsdeskundige bevestigd

Eiser maakte bezwaar tegen een informatieve brief van de arbeidsdeskundige, maar verweerder kwalificeerde dit bezwaar als gericht tegen het primaire besluit van 28 november 2006 en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank oordeelt dat de brief van de arbeidsdeskundige geen besluit is in de zin van artikel 1:3 Awb Pro en dat bezwaar alleen tegen een besluit kan worden gemaakt. Hierdoor is het bezwaar tegen de brief niet-ontvankelijk.

Verweerder heeft de grondslag van het bezwaar verlaten door het bezwaar tegen de brief te behandelen alsof het tegen het primaire besluit was gericht, wat in strijd is met artikel 7:11 Awb Pro. Dit leidde tot vernietiging van het besluit op bezwaar. De rechtbank voorziet zelf in de zaak door het bezwaar tegen de brief niet-ontvankelijk te verklaren.

Daarnaast veroordeelt de rechtbank verweerder tot vergoeding van de proceskosten van eiser en het terugbetalen van het griffierecht. De uitspraak benadrukt het belang van correcte kwalificatie van bezwaren en het strikt toepassen van de Awb-regels omtrent besluiten en bezwaarprocedures.

Uitkomst: Het bezwaar tegen de informatieve brief is niet-ontvankelijk verklaard en het besluit op bezwaar vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH
Sector bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 07/2258
Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 maart 2008
inzake
[eiser],
te [woonplaats],
eiser,
gemachtigde mr. H.J.M. Smelt,
tegen
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv),
te Amsterdam,
verweerder,
gemachtigde mr B.H.C. de Bruijn.
Procesverloop
Bij brief van 16 november 2006 is eiser door verweerders arbeidsdeskundige geïnformeerd over de uitkomsten van zijn onderzoek.
Bij besluit van 28 november 2006 heeft verweerder geweigerd eiser met ingang van 10 oktober 2006 in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA).
Namens eiser is op 22 december 2006 bezwaar gemaakt tegen de brief van verweerders arbeidsdeskundige van 16 november 2006.
Eisers bezwaar tegen voornoemde brief van de arbeidsdeskundige is door verweerder opgevat als zijnde gericht tegen het primaire besluit van 28 november 2006. Bij besluit van 31 mei 2007 heeft verweerder dit bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit op bezwaar is namens eiser op 6 juli 2007 beroep ingesteld.
De zaak is behandeld ter zitting van 28 februari 2008, waar eiser is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.
Overwegingen
1. In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of het besluit op bezwaar van 31 mei 2007 in rechte stand kan houden.
2. Bij het bestreden besluit op bezwaar heeft verweerder het namens eiser gemaakte bezwaar tegen de brief van de arbeidsdeskundige aangemerkt als zijnde gericht tegen het primaire besluit van 28 november 2006. Vervolgens heeft verweerder het bezwaar inhoudelijk beoordeeld en dit bezwaar ongegrond verklaard.
3. De rechtbank overweegt allereerst dat de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) over de ontvankelijkheid van bezwaar en beroep van openbare orde zijn. Derhalve ziet de rechtbank zich ambtshalve gesteld voor de vraag of verweerder het door eiser ingediende bezwaar terecht ontvankelijk heeft verklaard.
4. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.
5. Op grond van artikel 1:3 van Pro de Awb wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
6. Artikel 7:1 van Pro de Awb brengt, kort samengevat, met zich dat slechts tegen een besluit bezwaar kan worden gemaakt.
7. Ingevolge artikel 7:11, eerste lid van de Awb vindt op grondslag van het bezwaar een heroverweging van het bestreden besluit plaats, indien het bezwaar ontvankelijk is.
8. Verweerder heeft bij het bestreden besluit op bezwaar terecht geconstateerd dat het bezwaar is ingediend tegen de brief van de arbeidsdeskundige van 16 november 2006. Anders dan eisers gemachtigde is verweerder van mening dat deze brief niet is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb, zodat het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard zou moeten worden.
9. De rechtbank onderschrijft dit standpunt van verweerder. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 5 december 2006, LJN: AZ3771 kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat voornoemde brief van de arbeidsdeskundige (de zogenaamde aanzegbrief) het karakter draagt van een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb. Die brief is immers informatief van aard en niet gericht op enig rechtsgevolg. Het karakter en de betekenis van die brief kunnen niet achteraf worden gewijzigd. Nu er blijkens artikel 7:1 van Pro de Awb enkel bezwaar openstaat tegen een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb, is de brief van de arbeidsdeskundige niet vatbaar voor bezwaar.
10. Daar voegt de rechtbank aan toe dat het bezwaarschrift evenmin kan worden aangemerkt als een prematuur bezwaar ten aanzien waarvan niet-ontvankelijkverklaring op grond van artikel 6:10 van Pro de Awb achterwege dient te blijven. Immers, ten tijde van de indiening van het bezwaar was het primaire besluit van verweerder van 28 november 2006 reeds genomen en was de termijn voor het indienen van bezwaar tegen dat besluit reeds aangevangen. Derhalve is er geen sprake van een voor het begin van de termijn ingediend bezwaarschrift.
11. Verweerder is bij het bestreden besluit niet overgegaan tot niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen de brief van de arbeidsdeskundige, maar heeft het bezwaarschrift beschouwd als te zijn gericht tegen het primaire besluit van 28 november 2006. Verweerder heeft het bezwaarschrift als zodanig inhoudelijk beoordeeld. Echter, naar het oordeel van de rechtbank kan uit het namens eiser ingediende bezwaarschrift niet anders worden opgemaakt dan dat het uitsluitend is gericht tegen de brief van de arbeidsdeskundige van 16 november 2006. Door desalniettemin op het bezwaar te beslissen alsof dit was gericht tegen het primaire besluit van 28 november 2006 heeft verweerder de grondslag van het bezwaar verlaten, hetgeen in strijd is met artikel 7:11 van Pro de Awb. Het vorenstaande klemt temeer nu deze wijze van besluitvorming is ingegeven door de vooropgezette bedoeling om te ontkomen aan de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar, zoals deze voortvloeit uit de artikelen 1:3 en 7:1 van de Awb, welke artikelen dwingendrechtelijk van aard zijn.
12. Het vorenstaande brengt met zich dat het besluit op bezwaar in aanmerking komt voor vernietiging wegens strijd met evenvermelde wetsartikelen.
13. Aangezien het vorenstaande reeds leidt tot gegrondverklaring van het beroep, komt de rechtbank niet meer toe aan de beoordeling van hetgeen door eiser is aangevoerd.
14. Nu verweerder met inachtneming van deze uitspraak geen ander besluit mag nemen dan het bij hem gemaakte bezwaar tegen de brief van de arbeidsdeskundige niet-ontvankelijk verklaren, ziet de rechtbank aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb op de hierna vermelde wijze zelf in de zaak te voorzien.
15. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, acht de rechtbank termen aanwezig verweerder onder toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 644,- voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:
• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;
• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;
• waarde per punt € 322,-;
• wegingsfactor 1.
16. Tevens zal de rechtbank bepalen dat door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiser het door hem gestorte griffierecht ad € 39,- dient te worden vergoed.
17. Beslist wordt als volgt.
Beslissing
De rechtbank,
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit op bezwaar van 31 mei 2007;
- verklaart het bezwaar tegen de brief van 16 november 2006 niet-ontvankelijk;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit op bezwaar;
- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten, vastgesteld op € 644,00;
- wijst het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan als de rechtspersoon die het bedrag van de proceskosten dient te vergoeden;
- bepaalt dat het bedrag van de proceskosten moet worden voldaan aan de griffier;
- gelast het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiser het door hem gestorte griffierecht ten bedrage van € 39,- te vergoeden.
Aldus gedaan door mr. E.H.B.M. Potters als rechter in tegenwoordigheid van mr. P.A.M. Laro als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2008.
Belanghebbenden kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van toezending hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002,
3500 DA Utrecht.
Afschriften verzonden: