ECLI:NL:RBSHE:2011:BT7489
Rechtbank 's-Hertogenbosch
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de eenmalige rijksbijdrage Wet inburgering en dubbele bekostiging gemeenten
De zaak betreft een beroep van de gemeente Best tegen het besluit van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties tot vaststelling van de eenmalige rijksbijdrage voor 2006 op grond van artikel 9.6 van het Besluit inburgering. De gemeente stelt dat de wijziging van artikel 9.6 onrechtmatig is, onder meer vanwege dubbele bekostiging, strijd met hogere regelgeving, het rechtszekerheidsbeginsel en het verbod van willekeur.
De rechtbank overweegt dat de dubbele bekostiging voortkomt uit de overgang van de t-2 systematiek naar outputfinanciering, waarbij verklaringen uit 2005 betrekking hadden op beschikkingen uit 2003 en 2004 die reeds waren bekostigd. De correctie via artikel 9.6 is gerechtvaardigd en de wijziging van het besluit leidt niet tot onrechtmatigheid. De rechtbank wijst ook het beroep af dat de wijziging leidt tot onrechtvaardige benadeling van gemeenten, omdat de minister per geval kan compenseren.
Verder oordeelt de rechtbank dat geen sprake is van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel of willekeur, en dat de wijziging budgettair neutraal is op macroniveau. Het verzoek tot vergoeding van accountantskosten wordt afgewezen omdat dit niet tijdig en adequaat is ingediend. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep van de gemeente Best tegen het besluit tot vaststelling van de eenmalige rijksbijdrage 2006 wordt ongegrond verklaard.