ECLI:NL:RBUTR:2006:AX9512
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- mr. H.J.H. van Meegen
- mr. M.S.D. de Weerd
- Rechtspraak.nl
Waardevaststelling van onroerende zaken in het kader van de Wet WOZ
In deze zaak heeft de Rechtbank Utrecht op 2 juni 2006 uitspraak gedaan in een geschil over de waardevaststelling van onroerende zaken, specifiek twee woningen gelegen aan de [a-straat 1 en a-straat 2] in de gemeente [P]. Eiseres, die eigenaar is van beide woningen, had bezwaar gemaakt tegen de beschikking van de directeur van de Dienst Burgerzaken en Gemeentebelastingen, waarin de waarde van de woningen was vastgesteld op elk € 325.000,- op basis van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ). De rechtbank heeft de zaak behandeld naar aanleiding van het beroep van eiseres, dat betrekking had op de uitspraak van verweerder van 23 november 2005, waarin het bezwaar ongegrond was verklaard.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de woningen niet als afzonderlijke eengezinswoningen kunnen worden aangemerkt, maar als een samenstel van onroerende zaken. Dit oordeel is gebaseerd op de bevindingen dat de woningen met elkaar zijn verbonden, dat bewoners van beide woningen gebruik maken van elkaars voorzieningen, en dat er geen adequate zelfstandige voorzieningen in elke woning aanwezig zijn. De rechtbank heeft verweerder opgedragen om een nieuwe taxatie uit te voeren, waarbij de waarde van het samenstel van de woningen moet worden vastgesteld. De rechtbank heeft het beroep van eiseres gegrond verklaard en de bestreden uitspraak vernietigd, met de verplichting voor verweerder om binnen zes weken een nieuwe uitspraak op bezwaar te nemen.
De uitspraak benadrukt het belang van de samenhang tussen onroerende zaken in het kader van de Wet WOZ en de criteria die daarbij in acht moeten worden genomen. De rechtbank heeft ook bepaald dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht moet vergoeden. Deze uitspraak biedt inzicht in de toepassing van de Wet WOZ en de beoordeling van de waardevaststelling van onroerende zaken.