ECLI:NL:GHAMS:2007:BB2376
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- O.B. Onnes
- P.M.F. van Loon
- H.E. Kostense
- Rechtspraak.nl
Geen samenstel van onroerende zaken ondanks interne doorgangen en gedeelde voorzieningen
In deze bestuursrechtelijke zaak stond centraal of twee aan elkaar verbonden panden, beide eigendom van belanghebbende, een samenstel vormen in de zin van artikel 16d van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ). De panden zijn afzonderlijke kadastrale percelen met interne doorgangen en gedeelde voorzieningen zoals een badkamer en keuken. Belanghebbende stelde dat deze panden als één object moesten worden gewaardeerd.
De rechtbank had geoordeeld dat sprake was van een samenstel, omdat de voorzieningen niet zelfstandig adequaat waren en de panden onderling niet afsluitbaar zijn. Het hof volgde dit oordeel niet. Het stelde dat het ontbreken van voorzieningen op adequaat niveau in één eigendom niet automatisch leidt tot een samenstel met een ander eigendom waarin die voorzieningen wel aanwezig zijn. Ook de afsluitbaarheid was volgens het hof niet relevant voor de samenstelvraag.
Het hof vond dat de aangevoerde omstandigheden onvoldoende waren om een voor derden waarneembare samenhang aan te nemen. De bouwkundige verbindingen en de gezamenlijke achtertuin waren onvoldoende om de panden als één geheel te beschouwen. Daarom vernietigde het hof het vonnis van de rechtbank en verwees de zaak terug voor een nieuwe waarderingsbeslissing. Het geschil over de vergoeding van taxatiekosten blijft bij de rechtbank.
De uitspraak benadrukt het belang van een objectieve en waarneembare samenhang voor de kwalificatie van een samenstel en beperkt de reikwijdte van interne gebruiksrelaties en voorzieningen in de waardering van onroerende zaken.
Uitkomst: Het hof oordeelt dat de panden geen samenstel vormen en wijst de zaak terug naar de rechtbank voor verdere waarderingsbeslissing.