ECLI:NL:RBUTR:2008:BG4165
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Aansprakelijkheid en schadevergoeding na schietincident met dwarslaesie
Op 21 januari 1999 heeft gedaagde eiser met een vuurwapen ernstig verwond, waardoor eiser een dwarslaesie opliep en levenslang rolstoelafhankelijk zal zijn. Gedaagde werd in 2000 veroordeeld tot 16 jaar gevangenisstraf en tot betaling van een voorschot op immateriële schadevergoeding. Eiser vordert nu volledige schadevergoeding, waaronder smartengeld.
Gedaagde voerde verweren aan zoals nietigheid van de dagvaarding wegens verkeerde betekening, verjaring van de vordering, verminderde toerekenbaarheid en eigen schuld van eiser. De rechtbank oordeelt dat de dagvaarding onjuist is betekend, maar dat gedaagde hierdoor niet onredelijk in zijn belangen is geschaad. De stuitingsbrief van 2003 heeft verjaring effectief gestuit. Verminderde toerekenbaarheid wordt verworpen op grond van artikel 6:165 BW Pro. Het beroep op eigen schuld wordt eveneens afgewezen.
De rechtbank stelt de immateriële schadevergoeding vast op € 18.193,30, rekening houdend met reeds toegekende bedragen en de ernst van het letsel. Vervoerskosten en huishoudelijke hulp worden deels toegewezen, maar de vordering voor aanpassing van de auto wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing en eigen risico van eiser. Buitengerechtelijke incassokosten worden niet toegewezen. De proceskosten in de verzetprocedure worden gecompenseerd zodat iedere partij de eigen kosten draagt.
Uitkomst: Gedaagde is aansprakelijk en veroordeeld tot betaling van € 28.193,30 schadevergoeding met wettelijke rente, met afwijzing van overige vorderingen en compensatie van proceskosten.