ECLI:NL:RBUTR:2009:BK6890
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Geschil over betaling en omvang van advocatendeclaraties tussen advocatenkantoor en coöperatie
In deze zaak vordert een advocatenkantoor betaling van onbetaalde declaraties van een coöperatie van autodealers. De coöperatie voert primair aan dat partijen in het voorjaar van 2007 zijn overeengekomen dat de werkzaamheden zouden worden gestaakt, waardoor zij niet tot betaling verplicht zou zijn. Subsidiair stelt zij dat de declaraties te hoog zijn en wil zij deze ter begroting voorleggen aan de deken van de orde van advocaten.
De rechtbank stelt vast dat de coöperatie de declaraties van juli en augustus 2007 heeft voldaan, hetgeen in strijd is met haar primaire verweer dat de werkzaamheden al in het voorjaar 2007 zouden zijn gestaakt. Ook blijkt uit correspondentie dat de coöperatie de betaling van andere declaraties uitstelt wegens financiële problemen, maar niet vanwege een gemaakte afspraak tot stopzetting van werkzaamheden. De rechtbank concludeert dat geen afspraak tot stopzetting is gemaakt en wijst het primaire verweer af.
Ten aanzien van het subsidiaire verweer over de hoogte van de declaraties verklaart de rechtbank zich onbevoegd, omdat dit geschil onder de bijzondere regeling van de Wet tarieven burgerlijke zaken valt en voorgelegd moet worden aan de Raad van Toezicht. De coöperatie wordt veroordeeld in de proceskosten en het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Rechtbank wijst primair verweer af en veroordeelt coöperatie tot betaling; verklaart zich onbevoegd over geschil over hoogte declaraties.