ECLI:NL:RBUTR:2009:BK7108
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vorderingen wegens verjaring arbeidsongeschiktheidsverzekering
Eiser had een arbeidsongeschiktheidsverzekering bij ASR en meldde zich arbeidsongeschikt in 1999 en opnieuw in 2001. Hij vorderde uitkeringen en premievrijstelling, maar ASR stelde dat de vorderingen verjaard waren op grond van de nieuwe verjaringsregeling in artikel 7:942 BW Pro, die de termijn verkortte van vijf naar drie jaar.
De rechtbank oordeelde dat eiser zijn vorderingen had gestuit met brieven tot en met 29 april 2004, waarna een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar begon. Deze termijn werd echter door de invoering van artikel 7:942 BW Pro omgezet naar drie jaar, waardoor de vorderingen op 30 april 2007 verjaard waren.
Eisers argument dat een nieuwe verjaringstermijn pas begint na reactie van de verzekeraar werd verworpen, omdat geen bewijs was geleverd van ontvangst van latere stuitingsbrieven. Ook het beroep op de overgangswet om toepassing van de nieuwe regeling te vermijden, werd afgewezen wegens het ontbreken van uitzonderlijke omstandigheden.
De rechtbank wees daarom alle vorderingen af en veroordeelde eiser in de proceskosten van ASR.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen af wegens verjaring en veroordeelt eiser in de proceskosten.