ECLI:NL:RBZUT:2007:BC0797

Rechtbank Zutphen

Datum uitspraak
19 december 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
88215 FA RK 07-1612
Instantie
Rechtbank Zutphen
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:227 BWArt. 20 lid 3 Verdrag inzake de rechten van het kind
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing adoptieverzoek ondanks beëindiging samenwoning wegens belang minderjarige

Verzoekster heeft de adoptie van een minderjarige aangevraagd die is geboren binnen de relatie tussen haar en de biologische moeder. Volgens artikel 1:227, tweede lid BW, moet verzoekster ten minste drie aaneengesloten jaren onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek met de moeder hebben samengewoond. Hoewel deze samenwoning meer dan drie jaar heeft geduurd, was deze beëindigd vóór het verzoek werd ingediend.

De rechtbank overweegt dat het doel van deze voorwaarde is om stabiliteit voor het kind te waarborgen. In bijzondere omstandigheden kan stabiliteit ook bestaan na het beëindigen van de relatie. De duurzame binding tussen verzoekster en de minderjarige is niet geëindigd door de beëindiging van het huwelijk, mede doordat er sprake is van co-ouderschap en een ouderschapsplan.

De rechtbank sluit zich aan bij eerdere jurisprudentie en stelt dat de continuïteit in opvoeding, zoals bedoeld in artikel 20, derde lid van het Verdrag inzake de rechten van het kind, gewaarborgd is. Daarom gaat zij voorbij aan de driejareneis en acht zij het adoptieverzoek in het belang van het kind. Het verzoek wordt toegewezen.

Uitkomst: De rechtbank wijst het adoptieverzoek toe ondanks het niet voldoen aan de driejareneis vanwege het belang van de minderjarige en de gewaarborgde continuïteit in opvoeding.

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN
Sector Civiel – Afdeling Familie
Zaaknummer: 88215 FA RK 07-1612
Beschikking van de enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken d.d. 19 december 2007
op het verzoek van:
[verzoekster],
hierna mede te noemen verzoekster,
wonende te [plaats],
procureur: mr. E.H. Schijven-Bours.
Het procesverloop
Dit verloop blijkt uit:
- het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen op 29 augustus 2007;
- de brief van de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Gelderland, locatie Zutphen, van
2 oktober 2007;
- de brief met bijlagen van mr. Schijven-Bours van 22 oktober 2007;
- het proces-verbaal van de terechtzitting van 5 december 2007.
De feiten
Verzoekster is op [2003] te [plaats] gehuwd met [de moeder], hierna mede te noemen de moeder.
Op [2005] te [plaats] is uit de moeder geboren de minderjarige
[naam kind].
Verzoekster en de moeder zijn gezamenlijk belast met het gezag over de minderjarige.
Het verzoek
Verzoekster verzoekt dat de rechtbank de adoptie zal uitspreken van:
[naam kind], geboren op [2005] te [plaats],
door verzoekster.
Zij stelt – kort samengevat – dat het verzoek in het belang van de minderjarige is.
De beoordeling
De Raad voor de Kinderbescherming is in de gelegenheid gesteld zijn mening aan de rechtbank kenbaar te maken. De Raad refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.
Blijkens de overgelegde verklaringen van de moeder en van [naam biologische vader], de biologische vader van de minderjarige, hebben zij geen bezwaar tegen de adoptie.
Ingevolge artikel 1:227, tweede lid Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan verzoekster verzoeken om adoptie indien zij ten minste drie aaneengesloten jaren onmiddellijk voorafgaande aan de indiening van het verzoek met de moeder heeft samengeleefd. Uit de overgelegde stukken blijkt dat niet aan deze voorwaarde voor adoptie is voldaan, hetgeen door verzoekster ter terechtzitting is erkend.
Ten aanzien van het begin van de samenwoning overweegt de rechtbank dat voldoende aannemelijk is geworden dat verzoekster en de moeder in ieder geval vanaf het moment dat zij getrouwd zijn samengewoond hebben, zodat ervan moet worden uitgegaan dat op 20 december 2006 de wettelijke termijn van drie jaren was verstreken en het onderhavige verzoek op dat moment gedaan had kunnen worden. Het verzoek is echter eerst gedaan na de feitelijke verbreking van de samenleving, die in april 2007 heeft plaatsgevonden. Desondanks is de rechtbank van oordeel dat verzoekster in haar verzoek kan worden ontvangen.
De ratio van de voorwaarde van artikel 1:227, tweede lid BW kan worden gevonden in de wens zo veel mogelijk een stabiele situatie voor de minderjarige te waarborgen. Deze stabiliteit kan naar het oordeel van de rechtbank in bijzondere omstandigheden ook bestaan ná de verbreking van de relatie. Dit is ook door de wetgever onderkend, gelet op de beoogde wijziging van dit artikel.
Adoptie is een maatregel van kinderbescherming. Ook in het Verdrag inzake de rechten van het kind staat het kinderbeschermingsaspect voorop. Het belang van het kind dient daarom voorop te staan bij de beoordeling van de ontvankelijkheid. Een redelijke wetsuitlegging van artikel 1:227, tweede lid Burgerlijk Wetboek brengt met zich dat in de beoordeling ook de verzorging en opvoeding na het verbreken van de samenleving wordt betrokken. Er is sprake van een co-ouderschap waarbij verzoekers in gelijke mate betrokken zijn bij en verantwoordelijk zijn voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige. Door de beëindiging van het huwelijk van verzoekster en de moeder is de duurzame binding tussen verzoekster en de minderjarige, die vanaf haar geboorte heeft bestaan, niet geëindigd. De rechtbank sluit zich (evenals verzoekster) aan bij het oordeel van de rechtbank Almelo in de uitspraak van 17 mei 2006, LJN: AX2160.
Nu in het onderhavige geval sprake is van een ouderschapsplan en van een co-ouderschapregeling, waarbij de moeder en verzoekster ieder 50% van de tijd voor de minderjarige zorgen, en zij ter zitting de rechtbank hebben overtuigd van de toegevoegde waarde die dit voor de minderjarige heeft, kan geconcludeerd worden dat met de beëindiging van de relatie de duurzame binding tussen verzoekster en de minderjarige niet zal eindigen en dat daarmee de continuïteit in de opvoeding als bedoeld in artikel 20, derde lid van het Verdrag inzake de rechten van het kind juist is gewaarborgd. Om die reden gaat de rechtbank voorbij aan eerdergenoemde driejareneis ex artikel 1:227, tweede lid BW.
Op grond van de overgelegde stukken en hetgeen ter terechtzitting naar voren is gekomen is de rechtbank van oordeel dat aan de wettelijke vereisten is voldaan. De rechtbank acht de gevraagde adoptie in het kennelijke belang van de minderjarige, zodat het verzoek zal worden toegewezen.
De beslissing
De rechtbank,
spreekt uit de adoptie van:
[naam kind], geboren op [2005] te [plaats],
door
[verzoekster], geboren o[1965] te [plaats],
wonende te [adres en plaats]
Deze beschikking is gegeven en uitgesproken door mr. R.A. Eskes ter openbare terechtzitting van 19 december 2007, in tegenwoordigheid van de griffier.