ECLI:NL:RBZUT:2010:BM3209
Rechtbank Zutphen
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek ontheffing gezag moeder en aanstelling voorlopige voogdij stichting
De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de rechtbank om de moeder te ontheffen van het gezag over haar minderjarige kind, omdat de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing recent waren beëindigd en de moeder het gezag feitelijk niet uitoefende. De moeder verzette zich tegen de ontheffing, waardoor niet aan de wettelijke voorwaarden voor ontheffing werd voldaan.
De minderjarige wenst de gezagsrelatie met haar moeder te verbreken vanwege een verstoorde relatie en gebrek aan contact. De moeder onderneemt geen pogingen tot herstel en werkt niet mee aan de opvoeding. De vader erkent de situatie en steunt het verzoek van de Raad. De stichting, die de voogdij uitvoert, verklaarde bereid te zijn de voorlopige voogdij op zich te nemen.
De rechtbank oordeelt dat op grond van artikel 1:268 lid 1 BW Pro ontheffing niet kan worden verleend zolang de ouder zich verzet, en omdat de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing zijn beëindigd, is aan de uitzonderingsgrond niet voldaan. Gezien het feit dat de moeder het gezag feitelijk niet uitoefent, past de rechtbank ambtshalve artikel 1:241 lid 2 BW Pro toe en belast de stichting met de voorlopige voogdij. De beschikking geldt voor twaalf weken en is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Verzoek ontheffing gezag moeder afgewezen; stichting belast met voorlopige voogdij over minderjarige.