ECLI:NL:RBZUT:2011:BQ2553
Rechtbank Zutphen
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot wraking van rechter wegens gebrek aan uitzonderlijke omstandigheden
Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen de behandelend rechter in een civiele procedure, stellende dat er sprake was van een 'onderonsje' tussen de rechter en de tegenpartij, en dat hij niet in de gelegenheid was gesteld het woord te voeren of tegenbewijs te leveren.
De rechtbank onderzocht de ontvankelijkheid van het verzoek en oordeelde dat verzoeker niet ontvankelijk was voor gronden die betrekking hadden op feiten van vóór 25 februari 2010, omdat het verzoek niet tijdig was ingediend. Voor latere feiten werd het verzoek ontvankelijk verklaard.
De rechtbank beoordeelde vervolgens de inhoudelijke gronden en concludeerde dat er geen sprake was van uitzonderlijke omstandigheden die een vermoeden van vooringenomenheid rechtvaardigen. Het vermeende informele contact tussen de rechter en de tegenpartij werd niet bevestigd uit het proces-verbaal en was niet voldoende om onpartijdigheid te betwijfelen.
Ook werd geoordeeld dat het niet toestaan van het woord aan verzoeker tijdens de enquêtezitting geen bewijs was van partijdigheid, aangezien de bewijsopdracht aan de tegenpartij was gegeven. Het tussenvonnis waarbij de bewijslast werd omgedraaid werd als een normale procesbeslissing gezien.
Daarom werd het verzoek tot wraking afgewezen en de procedure voortgezet in de oorspronkelijke stand.
Uitkomst: Het verzoek tot wraking van de rechter wordt afgewezen wegens het ontbreken van uitzonderlijke omstandigheden die de onpartijdigheid in gevaar brengen.