Eiser maakte bezwaar tegen de nihilstelling van zijn kinderopvangtoeslag 2009 omdat hij stelde dat hij de volledige kosten had betaald, inclusief een schenking van het gastouderbureau. De rechtbank oordeelde dat de kosten daadwerkelijk ten tijde van de opvang of kort daarna voldaan moeten zijn en dat de schenking niet als betaalde kosten kan worden beschouwd.
De rechtbank stelde vast dat een bedrag van € 488,- onbetaald was gebleven en dat de schenking van € 1.483,- niet meetelt als kosten. Eiser had niet alle kosten voldaan, waardoor het recht op een hogere kinderopvangtoeslag dan het reeds toegekende bedrag van € 4.991,- niet bestond.
Het beroep tegen het eerste besluit werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het tweede besluit het eerste verving. Het beroep tegen het tweede besluit werd ongegrond verklaard. De rechtbank veroordeelde de Belastingdienst/Toeslagen tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van eiser.