De zaak betreft een geschil tussen Dexia Nederland B.V. en een gedaagde over de verjaring en vernietiging van effectenleasecontracten. De echtgenote van de gedaagde had namens hem vijf contracten buitengerechtelijk vernietigd op grond van de artikelen 1:88 en 1:89 BW. Dexia stelde dat de bevoegdheid tot vernietiging was verjaard, terwijl de gedaagde betoogde dat de verjaring was gestuit en geschorst door collectieve acties, met name de Eegalease-procedure.
De rechtbank stelde vast dat de Eegalease-procedure, een collectieve actie ex art. 3:305a BW, de verjaring van individuele vernietigingsvorderingen heeft gestuit en geschorst. De collectieve actie was de eerste stap in het geldend maken van het vernietigingsrecht van individuele belanghebbenden. De beëindiging van deze procedure door een vaststellingsovereenkomst (de Duisenberg-regeling) werd gelijkgesteld met een toewijzend vonnis in kracht van gewijsde, waardoor een nieuwe verjaringstermijn van drie jaar begon te lopen.
De rechtbank concludeerde dat de echtgenote van de gedaagde tijdig gebruik heeft gemaakt van haar vernietigingsbevoegdheid binnen deze nieuwe termijn. Voor één contract werd rechtsgeldige vernietiging vastgesteld; voor de overige contracten ontbraken nog voldoende gegevens. De rechtbank gaf opdracht tot het aanleveren van aanvullende bewijsstukken en stelde de zaak aan voor verdere behandeling.
De uitspraak benadrukt de bijzondere aard van collectieve acties en hun invloed op verjaringstermijnen, waarbij het persoonlijke karakter van vernietigingsbevoegdheden niet in de weg staat aan stuiting door collectieve rechtsvorderingen. De procedure wordt voortgezet met nadere bewijslevering en beoordeling van overige contracten.