Conclusie
Inleiding
dat een gerechtigde individueel verder kan afzien van een daad van rechtsvervolging indien hij weet dat mede ten behoeve van hem een collectieve actie is ingesteld’(Kamerstukken II, 1992-1993, 22 486, nr. 5, p. 3/4) is evident van toepassing op de verjaring van individuele vervolgacties tot schadevergoeding te voldoen in geld. Zo kan in een collectieve actie in zijn algemeenheid worden beslist of al dan niet onrechtmatig is gehandeld of toerekenbaar tekort is geschoten en of daarmee aansprakelijkheid is gevestigd. Het aannemen van stuitende werking van een collectieve vordering dient voor dat geval het met de collectieve actie beoogde doel van een effectieve en efficiënte rechtsbescherming, omdat het betekent dat individueel gerechtigden tot schadevergoeding te voldoen in geld de uitkomst van een collectieve actie kunnen afwachten. Daarentegen kwalificeert om te beginnen een buitengerechtelijke vernietigingsverklaring op de voet van art. 1:89 BW Pro niet als daad van rechtsvervolging. Verder rijst de vraag of individueel gerechtigden tot de vernietigingsactie van art. 1:89 BW Pro een rechtens te respecteren belang hebben bij de beslissing in een collectieve actie op - zoals hier het geval - (alleen) de rechtsvraag naar de toepasselijkheid van de art. 1:88 en Pro 1:89 BW, in dier voege dat hij of zij die beslissing moet kunnen afwachten zonder dat zijn of haar bevoegdheid tussentijds verjaart. Tegen een bevestigend antwoord op die vraag pleit dat voor het gaan lopen van een verjaringstermijn bekendheid met de juridische merites van de zaak niet is vereist.
op andere wijze is geëindigdzoals bedoeld in art. 3:316 lid 2 BW Pro. Vaststaat bovendien dat [betrokkene 1] niet binnen zes maanden daarna (eind 2005) een nieuwe eis heeft ingesteld, zoals in die bepaling voor het gestand doen van de stuitende werking van de bij die dagvaarding ingestelde vorderingen is vereist. Daar staat echter tegenover dat de in geding zijnde vernietigingsbrief dateert van 2 februari 2005 en derhalve nog van vóór de schikking en het royement en tevens is verzonden binnen een termijn van zes maanden na het vonnis van 25 augustus 2004, waarbij vordering A) was toegewezen en vordering B) was afgewezen. Verder regardeert het [appellant] niet dat de Stichting Eegalease in het kader van de schikking afstand heeft gedaan van alle rechten en vorderingen die inzet waren van de betrokken procedure, waaronder de vorderingen A) en B). [appellant] heeft immers - als overwogen - verklaard niet aan de Duisenberg-regeling gebonden te willen zijn.
De prejudiciële vragen. Vooropstelling; juridisch kader
anderedaad van rechtsvervolging …” is duidelijk dat het hier uitsluitend gaat om het instellen van een eis in rechte, daaronder begrepen het uitlokken van een arbitrale beslissing.”