Belanghebbenden, de erven van de overleden erflater, hebben bezwaar gemaakt tegen navorderingsaanslagen inkomstenbelasting, premie volksverzekeringen en vermogensbelasting over de jaren 1998 tot en met 2005, wegens verzwegen banktegoeden in Zwitserland. De inspecteur legde deze aanslagen op na een vrijwillige verbetering (inkeer) van de aangiften.
De kern van het geschil betrof de vraag of de navorderingsaanslagen met voldoende voortvarendheid waren opgelegd en of de inspecteur een dwangsom verschuldigd was wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar. De rechtbank oordeelde dat de verlengde navorderingstermijn van twaalf jaar van toepassing is op vermogensbestanddelen in derde landen zoals Zwitserland, omdat de vrijheid van kapitaalverkeer niet van toepassing is op dergelijke landen.
Verder concludeerde de rechtbank dat de inspecteur de navorderingsaanslagen tijdig en voortvarend heeft opgelegd binnen de wettelijke termijnen. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel faalde omdat de inspecteur niet vrijstaat om een navorderingsaanslag achterwege te laten indien aan de voorwaarden is voldaan. Ten aanzien van de dwangsom stelde de rechtbank vast dat de ingebrekestelling door de gemachtigde was ingetrokken en dat de inspecteur binnen twee weken na een nieuwe ingebrekestelling uitspraak op bezwaar had gedaan, zodat geen dwangsom verschuldigd was.
De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond en zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan op 23 april 2013 door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, meervoudige kamer te Breda.