In deze zaak zijn drie beschikkingen over het in te halen verlies uit buitenlandse activiteiten over de jaren 2002 tot en met 2006 in geschil tussen belanghebbende B.V. en de inspecteur van de Belastingdienst. De inspecteur beriep zich op geheimhouding van diverse stukken, terwijl belanghebbende wilde dat deze stukken tot de gedingstukken werden gerekend.
De geheimhoudingskamer heeft onderzocht welke stukken relevant zijn en welke geheim mogen blijven. Stukken die persoonlijke gegevens van derden bevatten, situaties van andere belastingplichtigen betreffen of persoonlijke opvattingen van de inspecteur bevatten, mogen (deels) geheim blijven. De inspecteur moet echter delen die openbaar kunnen worden gemaakt, zoals zakelijke weergaven en citaten uit rechtspraak, alsnog overleggen.
De kamer benadrukt het belang van de inspecteur om in de voorbereiding van een zaak vrij te zijn in het vormen van zijn gedachten over de procespositie. De stukken 6, 7, 7A, 8, 11, 20, 21 en 23 mogen grotendeels geheim blijven, terwijl stukken 16 en 22 volledig openbaar moeten worden gemaakt. Stukken 5 en 19 worden gedeeltelijk openbaar gemaakt met weglak van persoonlijke gegevens. De inspecteur moet binnen vier weken geschoonde stukken aanleveren. Verdere beslissingen, waaronder over proceskosten, zijn aangehouden.