Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
usufruct) verworven om 15 jaar lang het
formatcommercieel te exploiteren.
franchise-overeenkomsten gesloten met diverse (groeps)maatschappijen, waaronder haar Nederlandse werkmaatschappij [C] B.V. ([C] BV), op basis waarvan die het
formatmogen gebruiken tegen betaling van een
franchise fee(royalty), te betalen aan de belanghebbende.
franchise-overeenkomsten gesloten tussen de belanghebbende en [C].
[C]maakte vanaf de start in 1999 verlies.
[C]toe te rekenen ‘negatieve buitenlandse winst’ (in te halen verlies), zonder daarbij rekening te houden met de royalty’s die door
[C]zijn betaald.
welrekening gehouden te hebben met de door
[C]betaalde royalty’s. Hij heeft belanghebbendes bezwaar daartegen afgewezen.
mismatchontstaat tussen bijdragewinst en aftrekwinst als Nederland er géén rekening mee houdt op grond van het wegvallen van onderlinge transacties binnen een fiscale eenheid. De Spaanse fiscus ziet (aftrekbare) royaltybetalingen door de ene rechtspersoon aan de andere op basis van een
arm’s lengthcivielrechtelijk contract en de vraag is of de Nederlandse fiscus als gevolg van de fiscale eenheid en de beperkte zelfstandigheidsfictie ter zake van vaste inrichtingen, géén ‘interne’ royalty’s zien, laat staan aan de v.i. toerekenbare.
Sarakreek) geen rekening wordt gehouden met de binnen de eenheid tussen v.i. en gevoegd hoofdhuis betaalde royalty’s, maar dat anderzijds op grond van art. 7 van Pro het Belastingverdrag met Spanje en HR BNB 1997/263 en HR BNB 2007/117 wel afschrijvingskosten ter zake van het extern betrokken
usufructaan de Spaanse vi toegerekend moeten worden. Zij heeft de jaarlijks aan de v.i. toerekenbare afschrijving berekend naar rato van het aandeel van de v.i. in de totale royaltybetalingen voor het
formataan de belanghebbende. De Rechtbank heeft daarom het beroep tegen de Beschikking inhaalverlies 2006 gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar ter zake van deze beschikking vernietigd en het naar 2007 over te brengen inhaalverlies uit de v.i. lager vastgesteld. Ook dan resteert nog een aanzienlijke
mismatch, omdat de afschrijvingstoerekening aanzienlijk lager is dan de betaalde royalty’s.
Sarakreekgeen rekening wordt gehouden met de door
[C]betaalde en
arm’s lengthbepaalde royalty’s; de v.i.-zelfstandigheidsfictie en een realistische en
arm’s lengthwinsttoerkening volgens OESO-normen eisen zijns inziens fiscale erkenning van die binneneenheidsbetalingen bij de bepaling van de aftrekwinst. Belanghebbendes beroep is – andersom - gericht tegen het oordeel dat afschrijvingskosten ter zake van het
usufructaan
[C]toegerekend moeten worden, nu in belanghebbendes
arm’s lengthkoopprijs voor dat
usufructslechts een verwaarloosbaar bedrag was begrepen voor mogelijk
formatgebruik in Spanje, en de ten onrechte niet historisch-causale maar omzetgerelateerde afschrijvingstoerekening door de rechtbank leidt tot toerekening van kosten die niet dienstbaar zijn (geweest) aan de v.i.
Sarakreek) en (ii) uw jurisprudentie inhoudende dat behoudens uitzonderlijke gevallen rente-, royalty- en huurbetalingen door v.i. aan hoofdhuis fiscaal slechts erkend worden als de lening c.q. het (immateriële) activum speciaal voor de v.i. extern betrokken is door het hoofdhuis.
recyclingvan de conclusies van 26 juli 2012 in de zaken 11/05670 en 11/05732 (waarin geen arresten gewezen zijn omdat de beroepen nadien zijn ingetrokken) meen ik nog steeds dat er geen aanleiding bestaat, ook niet op grond van nieuwe v.i.-winsttoerekeningsinzichten van de OESO sinds 2010, om terug te komen van
Sarakreek. De OESO-inzichten over de mate van fiscale zelfstandigheid van vaste inrichtingen zijn niet relevant voor, want staan los van de vraag of
Sarakreekmooi of lelijk is. Het
Sarakreek-effect is inherent aan de
Nederlandsefiscale eenheid (heffing en voorkoming van dubbele belasting alsof er één belastingplichtige is) en kan, indien ongewenst, slechts vermeden worden door het
Nederlandsebelastingrecht (het fiscale-eenheidsregime) dat dat effect oproept, te wijzigen.
juistals gevolg van het fiscale eenheidsregime fiscaalrechtelijk niet ter zake, ook internationaal-fiscaalrechtelijk niet, zodat ook in
Sarakreek-situaties fiscaalrechtelijk slechts een hoofdhuis/v.i.-kwestie resteert.
Sarakreek-gevallen zoals het litigieuze, royaltybetalingen vanuit een Spaanse v.i. van de eenheid aan die eenheid wél in aanmerking worden genomen als aan de zakelijkheid van de tot de royaltybetaling aanleiding gevende binneneenheids-transactie niet kan worden getwijfeld.
formatdoor
[C]en over de daarvoor verschuldigde royalty’s. Ik zie niet in hoe of waarom er dan getwijfeld zou kunnen worden aan de zakelijkheid van de royaltybetalingen. Ik meen dan ook dat die betalingen – net zo als het valutaresultaat op het zakelijke interne leverancierskrediet in HR BNB 1990/36 – ondanks hun fiscaalrechtelijk interne karakter fiscaal erkend kunnen en moeten worden. Dat leidt ook tot een evenwichtig resultaat, nu ook de Spaanse fiscus de royaltybetalingen ten laste van de v.i.-winst brengt.
format-kosten aan een bedrijfsonderdeel dat wél grote
format-omzetten maakt en daarvoor miljoenen royalty aan haar betaalt, lijkt noch met de economische werkelijkheid, noch met de ook volgens haar zelf
arm’s length franchise-overeenkomsten te stroken.
2.Feiten en loop van het geding
usufruct(vruchtgebruik) verworven, inhoudende het recht om vanaf 1 januari 1996 voor 15 jaar het
formatwereldwijd, behalve in het Verenigd Koninkrijk, Ierland en Noord-Amerika, commercieel te exploiteren. Art. 2.1 bepaalt dat het gaat om “the exclusive right to exploit the System in the Territory, including without limitation by making the System available to third parties in the Territory, (…).”
usufructis mede bepaald op basis van behaalde omzetten in zeven landen waarin het
formatal werd gebruikt en van begrote omzetten in andere landen, waaronder Spanje. De belanghebbende heeft een
one-time fixed sum [1] betaald die dus niet is gesplitst in een bedrag per land. Zij heeft de aankoop van het
usufructgefinancierd met een rentedragende groepslening. Sinds 1 juli 2005 heeft zij het
usufructniet meer in bezit.
formattegen een
franchise fee(royalty), te betalen aan de belanghebbende. Zij heeft ook met haar Nederlandse werkmaatschappij [C] B.V. ([C] BV) zo’n franchise-overeenkomst gesloten op basis waarvan de laatste vanaf 1 januari 1996 het Format op de Nederlandse markt mag gebruiken.
[C], of: de v.i.).
formatdoor haar Spaanse v.i. de volgende royalty’s aan de belanghebbende betaald:
[C]toe te rekenen ‘negatieve buitenlandse winst’ (inhaalverlies) zonder rekening te houden met de in 2.6 bedoelde royalty’s. Zij berekende de in te halen verliezen als volgt:
2.800.058
welrekening hield met de door
[C]betaalde royalty’s:
2.800.058
2004van 3 oktober 2008 heeft de Inspecteur het naar 2005 over te brengen verlies 2002 t/m 2004 vastgesteld op € 6.855.000 (vgl. 2.10). Bij Beschikking inhaalverlies
2005van 29 april 2010 heeft hij het naar 2006 over te brengen verlies 2005 vastgesteld op € 1.073.500 (vgl. 2.10). Bij Beschikking inhaalverlies
2006van 4 april 2011 heeft hij het naar 2007 over te brengen verlies 1999 t/m 2006 vastgesteld op € 16.136.845 (vgl. 2.10). Belanghebbendes bezwaren tegen deze beschikkingen heeft hij bij uitspraken van 19 mei 2011 en 13 juli 2011 afgewezen.
[C]betaalde royalty’s niet bijdragen tot de in te halen verliezen, nu die royaltybetalingen binnen de fiscale eenheid fiscaal onzichtbaar zijn:
[C]toerekenbare afschrijving op belanghebbendes kostprijs voor het
usufruct:
4.Het geding in cassatie
Sarakreek– het
formatdoor de eenheidsmoeder extern betrokken is tegen een koopsom, (ii) in casu – anders dan tussen een hoofdhuis en een v.i. – wel degelijk civielrechtelijk een contract bestaat (tussen moeder en dochter) dat verplicht tot royaltybetalingen tussen die twee separate rechtspersonen en waarover de partijen het eens zijn dat zij zakelijk zijn, zodat deze situatie eerder onder art. 9 OESO Pro-Model (winsttoerekening tussen gelieerde rechtspersonen) valt dan onder art. 7 (winsttoerekening tussen hoofdhuis en v.i.), (iii) de niet-erkenning van ‘interne’ betalingen binnen één onderneming ook door de OESO nooit bedoeld is om tot een andere uitkomst te komen dan die waartoe de zelfstandigheidsfictie van art. 7(2) (oud én nieuw) OESO-Modelverdrag noopt en (iv) niet-toerekening aan de v.i. van de royaltybetalingen – subsidiair van een gebruiksevenredig deel van de kosten van het aangekochte
format– ertoe leidt dat de
format-exploitatiewinst ten onrechte aan die v.i. wordt toegerekend – die daarvoor in Spanje niet belast wordt – terwijl die winst in werkelijkheid en volgens art. 7(2) van het belastingverdrag toegerekend moet worden aan de eenheidsmoeder, die immers enige eigenares en bestierster van het
usufructis. Hij betoogt met name:
usufructdan een deel van de $ 20.000 die de belanghebbende in werkelijkheid en
at arm’s lengthbij de verwerving van het
usufructheeft betaald voor mogelijke gebruiksuitbreiding tot Oostenrijk, Scandinavië, Spanje en Zwitserland. Ook de belanghebbende acht art. 7(1 t/m 3) van het Verdrag met Spanje geschonden, omdat de Rechtbank met haar zelf ontwikkelde toerekening afschrijvingskosten aan de vaste inrichting heeft toegerekend die niet ten behoeve van de vaste inrichting zijn gemaakt (middel 1). Haar kernbezwaar is het volgende:
nietde
daadwerkelijk gemaakte kosten,die in historisch causaal verband staan met de Spaanse vaste inrichting aan deze vaste inrichting toegerekend, maar worden
fictievekosten aan deze vaste inrichting toegerekend. De Rechtbank gaat voor de toerekening van de afschrijvingskosten van het 'usufruct' aan de Spaanse vaste inrichting niet uit van het daadwekelijk voor het gebruik van het 'usufruct' door deze vaste inrichting overeengekomen en betaalde bedrag. De Rechtbank hanteert namelijk voor de toerekening van deze afschrijvingskosten een verdeelsleutel, die is gebaseerd op de hoogte van de door [X] BV per land per jaar ontvangen royalty's. Deze maatstaf staat in geen enkel historisch causaal verband met de vergoeding, die [X] BV voor het gebruik van het 'usufruct' door de Spaanse vaste inrichting met [B] is overeengekomen en heeft betaald.”
5.Toepasselijk recht
Behoeft HR BNB 1986/239 [21] (Sarakreek) heroverweging? En is de vaste inrichting fiscaal zelfstandig(er)?
Sarakreek [22] ) en (ii) uw jurisprudentie inhoudende dat behoudens bepaalde uitzonderingen rente-, royalty- en huurbetalingen tussen v.i. en hoofdhuis fiscaal slechts erkend worden als de lening c.q. het (immateriële) activum speciaal voor de v.i. extern betrokken is door het hoofdhuis. Van Dun [23] acht het niet uitgesloten dat u na dertig jaar – waarin meer malen kritiek op
Sarakreekis geuit – mogelijk toe bent aan ‘fundamentele heroverweging’ van dat arrest, inhoudende dat
Sarakreekheroverweging behoeft. Die zaken hebben niet tot een arrest geleid omdat zij zijn introkken. Hetgeen hieronder volgt, is deels
recycling, deels actualisering, deels nuancering van die bespreking van de
Sarakreekjurisprudentie.
mismatchtussen de aftrekwinst (de winst waarvoor Nederland voorkoming van dubbele belasting gaf) en de Amerikaanse v.i.-winst (de winst waarvoor de VS de dochters in de winstbelasting betrokken): de VS zagen slechts twee zelfstandige vennootschappen/debiteuren en niet de eigenaardigheid van de fiscale eenheid, zodat de door de dochters betaalde rente in de VS als bedrijfslast in aftrek kwam. Resultaat: rentelasten wél aftrekbaar; rentebaten niet belast.
Sarakreekde moeder een externe banklening zou aantrekken en het geleende bedrag als eigen vermogen in haar gevoegde dochters zou storten ter financiering van de Amerikaanse onroerende zaken. De VS zouden alleen met eigen vermogen gefinancierde zelfstandige dochters zien en dus geen rente-aftrek verlenen, terwijl Nederland de banklening zou toerekenen aan de Amerikaanse v.i. van de eenheid op grond van causale toerekening van financieringen aan activa. [28] Daardoor zou de aftrekwinst veel kleiner zijn dan de v.i.-winst die de VS zouden belasten. Gevolg: onverdacht zakelijke financieringslasten zijn nergens aftrekbaar.
,hoewel dezelfde
mismatchzich kan voordoen bij binneneenheidse huur- en royaltybetalingen. Kok [29] concludeerde mede op basis van paragraaf 18 van het officiële OESO-Commentaar op art. 7 van Pro het OESO-Modelbelastingverdrag (zoals dat luidde vóór 2010) dat
Sarakreekook geldt voor huur- en royaltybetalingen door een gevoegde groepsvennootschap met buitenlandse v.i. aan een andere gevoegde vennootschap. Hij ziet dan ook niet in waarom art. 15ac(5) Wet Vpb uitdrukkelijk beperkt is tot financieringskosten: [30]
Sarakreekin spiegelbeeld en lijkt
Sarakreekte bevestigen. Het ging om een naar Nederlands recht opgerichte moeder met twee gevoegde dochters. De moeder was feitelijk op de Nederlandse Antillen gevestigd; de dochters in Nederland. Op grond van de BRK mocht Nederland niet heffen over de winst van de moeder. U oordeelde dat de winst van de moeder, gezien het bestaan van een fiscale eenheid, bepaald moest worden alsof de dochters een Nederlandse vaste inrichting van de moedervennootschap waren. Daardoor waren de vorderingen van de moeder op haar Nederlandse dochters en de rentebetalingen in omgekeerde richting fiscaalrechtelijk niet zichtbaar, zodat die rente niet aftrekbaar was voor de bepaling van de Nederlandse v.i.-winst van de eenheid. De vraag of de rente op de Antillen wél tot de winst van de moeder werd gerekend, was volgens u niet relevant:
Sarakreek-(al dan niet in spiegelbeeld)situaties aan de dag tredende
mismatcheseen combinatie van twee verschijnselen: (i) het Nederlandse fiscale eenheidsregime werkt – behoudens thans art. 15ac(5) Wet Vpb – wel door naar de Nederlandse verdrags- en BRK-toepassing, maar niet naar de verdrags/BRK-toepassing door het buitenland/andere land, dat immers geen vaste inrichting van een fiscale eenheid ziet, maar een vaste inrichting van een civielrechtelijk zelfstandige rechtspersoon die betalingen doet aan een andere civielrechtelijk zelfstandige rechtspersoon, en (ii) de beperkte reikwijdte onder belastingverdragen en de BRK van de fiscaalrechtelijke fictie dat een vaste inrichting civielrechtelijk en economisch zelfstandig is ten opzichte van haar hoofdhuis. Zouden civielrechtelijk niet-bestaande maar economisch
at arm’s lengthbepaalde rente-, huur- en royaltybetalingen binnen één onderneming wél in aanmerking genomen worden (zoals de OESO kennelijk voorstaat sinds 2010), dan zou de
mismatchzich ook binnen een fiscale eenheid niet voordoen: dan zou ook de (
at arm’s length) betaling door de v.i. van een gevoegde dochter aan de eenheidsmoeder in aanmerking genomen worden. Zo’n betaling is immers vanuit Nederlands
fiscaalperspectief niets anders dan een interne betaling door een v.i. aan haar hoofdhuis (de eenheid), ook al gaat het civielrechtelijk bezien niet om een interne betaling. De Staatssecretaris betoogt in casu op zichzelf terecht dat internationaalrechtelijk tussen moeder en dochter – anders dan tussen hoofdhuis en v.i. – nooit sprake is geweest van negeren van onderlinge betalingen, maar hij ziet er aan voorbij dat kern van de fiscale eenheid (en van
Sarakreek) is dat naar Nederlands (internationaal) belastingrecht onderlinge betalingen tussen gevoegde vennootschappen juist wél worden genegeerd, waardoor de royaltybetaling door de v.i. van de ene gevoegde vennootschap aan de andere gevoegde vennootschap wel degelijk fiscaalrechtelijk een ‘interne’ betaling wordt voor de toepassing van het Nederlandse (internationale) belastingrecht, in beginsel volstrekt vergelijkbaar met een betaling tussen v.i. en hoofdhuis. [33] Dat in
Sarakreek-achtige situaties zoals die van de belanghebbende wél een civielrechtelijk contract tussen twee rechtspersonen ten grondslag ligt aan de betalingen en in een ‘echte’ vi/hoofdhuis-situatie niet, doet fiscaalrechtelijk dan ook niet ter zake.
advancesbinnen banken, onder art. 7 (oud) OECD-modelverdrag worden genegeerd voor de bepaling van zowel de vaste inrichtingswinst als de aftrekwinst. U zie onder meer HR BNB 1990/36 (
Leverancierskrediet): [34]
BIS-ratio) bevestigde u de hoofdregel dat interne leningen fiscaal onzichtbaar zijn:
Sarakreek-jurisprudentie is dat zij niet consistent lijkt met uw vaste jurisprudentie dat de aftrekwinst moet worden berekend volgens de regels die Nederland zou toepassen als hij de v.i.-staat zou zijn, waaruit volgt dat de fiscale eenheid juist genegeerd zou moeten worden. Nederland zou immers in de spiegelbeeldsituatie – als v.i.-land – de buitenlandse fiscale eenheid niet zien. Van die vaste jurisprudentie is HR BNB 1993/209 een voorbeeld, waarin u overwoog: [37]
Rupiah-arresten HR BNB 1960/161-166 lijken om dezelfde reden niet consistent met
Sarakreek. Uit die arresten blijkt dat de aftrekwinst elementen kan bevatten die niet voorkomen in de wereldwinst (dat de aftrekwinst niet afgeleid wordt uit de wereldwinst). De
Rupiah-arresten betroffen een in Nederland gevestigde NV met een vaste inrichting in Indonesië. De Indonesische
rupiahhad aan het einde van het jaar een lagere waarde ten opzichte van de Nederlandse gulden dan aan het begin van het jaar. De belanghebbende wilde het koersverlies negeren voor de berekening van de aftrekwinst. Zij berekende de winst van de Indonesische vaste inrichting in rupiah's en hanteerde de koers ultimo boekjaar (1 rupiah = 1/3 gulden) als omrekeningsfactor. De inspecteur kwam op een lager bedrag uit doordat hij de aftrekwinst berekende door vermogensvergelijking. Het beginvermogen van de vaste inrichting werd omgerekend tegen de koers aan het begin van het boekjaar (1 rupiah = 1 gulden) en het eindvermogen werd omgerekend tegen de genoemde "eindkoers". U overwoog: [38]
Rupiah-arresten:
Sarakreekin twijfel. Als de aftrekwinst berekend moet worden naar Nederlands belastingrecht maar vanuit het gezichtspunt van de fiscus van het v.i.-land, dan moet volgens die commissie de fiscale eenheid genegeerd worden, want die eenheid bestaat niet voor de buitenlandse fiscus. Zij nam daarom een van
Sarakreekafwijkend standpunt in: [40]
Sarakreeken anderzijds de
Rupiah-arresten en HR BNB 1993/209 moeilijk met elkaar verenigbaar lijken.
Sarakreeklijkt te bevestigen, stamt van ná het rapport van de Commissie Bavinck, zodat u in de door die Commissie opgeworpen bezwaren tegen
Sarakreekgeen reden lijkt te hebben gezien om om te gaan. HR BNB 2003/286 ging echter niet, zoals
Sarakreek, over de aftrekwinst, maar over het spiegelbeeld: de winstbepaling in Nederland van een Nederlandse vaste inrichting volgens Nederlands recht, zodat vanzelf alle Nederlandse fiscale regels van toepassing waren, inclusief die van de fiscale eenheid; de inconsistentie met de
Rupiah-jurisprudentie kon zich dan ook niet voordoen. HR BNB 2003/286 kan dus niet als antwoord op de kritiek van de Commissie Bavinck gezien worden.
Sarakreekmogelijk niet consistent met de
Rupiah-arresten en HR BNB 1993/209, dat betekent mijns inziens niet dat
Sarakreekherzien moet worden. In de eerste plaats kan men, anders dan de Commissie Bavinck, redeneren dat
Sarakreekwél tot hetzelfde resultaat leidt als de
Rupiah-arresten en HR BNB 1993/209 omdat volledige toepassing van de fictie dat de buitenlandse fiscus Nederlands belastingrecht toepast, meebrengt dat ook gefingeerd moet worden dat jegens die buitenlandse fiscus de optie bestaat om de betrokken concernvennootschappen fiscaal als één belastingplichtige te zien en dat die optie ook uitgeoefend is. Dat is immers waar de Nederlandse fiscus van uit zou gaan. In de tweede plaats wordt het Nederlandse recht (het fiscale-eenheidsregime) door de artt. 93 en 94 Grondwet slechts buiten toepassing gesteld voor zover onverenigbaar met het toepasselijke belastingverdrag. Een belastingverdrag zegt echter niets over de vragen aan wie het inkomen toekomt (aan de eenheidsmoeder of aan de gevoegde vennootschap die hoofdhuis van de buitenlandse v.i. is) en hoe het berekend moet worden. Toepassing van de fiscale eenheid is dus niet onverenigbaar met een OESO-gemodelleerd belastingverdrag. Nederland pleegt bovendien in zijn belastingverdragen naar zijn nationale recht te verwijzen voor de voorkoming van dubbele belasting. Er is dus – afgezien van art. 15ac(5) Wet Vpb – geen rechtsbasis om de fiscale-eenheidsregels te negeren bij de bepaling van de aftrekwinst. Ten slotte: als zich een inconsistentie voordoet, is niet meteen duidelijk hoe die opgelost moet worden. Het negeren van de fiscale eenheid voor de berekening van de aftrekwinst maar niet voor de berekening van de v.i.-winst in de spiegelbeeldsituatie lijkt evenmin consistent. Nu zich hier geen dringende kwestie van rechtsontwikkeling of rechtseenheid voordoet, lijkt eventuele opzegging van
Sarakreekmeer iets voor de wetgever dan voor rechterlijke experimenten. Het wél in aanmerking nemen van rente op een binneneenheidslening voor de aftrekwinst en niet voor de generale winst kan leiden tot definitieve verschillen tussen generale winst en aftrekwinst.
soft lawkan mijns inziens de toepassing van (veel) oudere en naar de oude tekst gemodelleerde verdragsbepalingen – zoals art. 7 van Pro het Verdrag met Spanje – op bovendien (veel) oudere belastingjaren niet beïnvloeden. Wijziging van het OECD-modelverdrag en van het Commentaar heeft mijns inziens hoe dan ook geen invloed op de toepassing van anterieure belastingverdragen die gesloten zijn op basis van de Modeltekst en het Commentaar van vóór die wijzigingen, [43] en uiteraard evenmin op de interpretatie van posterieure belastingverdragen die toch de oude tekst van (bijvoorbeeld) art. 7 volgen Pro. Nederland streeft volgens de Notitie Fiscaal verdragsbeleid 2011 [44] naar opneming van de nieuwe 2010-tekst van art. 7 OESO Pro-Modelverdrag in zijn verdragen en heeft dat bijvoorbeeld gedaan in het 2012-Verdrag met Duitsland en in de Belastingregeling Nederland Curaçao, maar de Nederlandse belastingverdragen met Ethiopië (2012) en China (2013) bevatten nog de oude tekst van art. 7. Willen de verdragsluiters dat verdragsbepalingen die (materieel) gelijk luiden aan de OESO-Modelbepalingen, geïnterpreteerd zullen worden met inachtneming van het OESO-Commentaar zoals dat zal luiden ten tijde van de toekomstige toepassing van die bepalingen, dan moeten zij dat mijns inziens uitdrukkelijk bepalen, zoals in art. 1 van Pro het protocol bij het zeer recente verdrag met Malawi: [45]
treasuryactiviteiten die juist extern zijn gefinancierd. Ook Peeters is deze mening toegedaan. [47]
Sarakreekterug te komen, in elk geval niet voor belastingverdragen en feiten van vóór 2010.
Sarakreekverregaand kunt nuanceren door consistentie met de
Rupiah-arresten c.a. te bewerkstelligen met behulp van uw benadering in het
Cruzeiros-arrest HR BNB 2004/139. [48] Dat arrest hield in dat in beginsel de aftrekwinst berekend wordt in de lokale valuta en vervolgens omgerekend wordt, maar dat als de lokale winstbepaling zelf uitgaat van een andere valuta of rekeneenheid, die andere valuta of rekeneenheid gevolgd moet worden. De belanghebbende in de
Cruzeiros-zaak had een bancair filiaal in Brazilië. Door hyperinflatie maakte dit filiaal in 1993 een omvangrijke winst in cruzeiros, maar de cruzeiro was met 2371% gedevalueerd ten opzichte van de gulden. Doordat de bijdragewinst en de aftrekwinst in guldens op verschillende wijzen werden berekend, drukten de devaluatieverliezen de wereldwinst sterk, maar de aftrekwinst minder. U oordeelde dat rekening moet worden gehouden met de Braziliaanse monetaire correcties omdat anders strijd met de doelstelling van het belastingverdrag zou ontstaan:
Sarakreek-fiscale-eenheidsgevallen zou ertoe leiden dat voor de aftrekwinst waarvoor Nederland voorkoming geeft in beginsel de fiscale eenheid genegeerd wordt (waardoor de rentestroom weer zichtbaar wordt), tenzij ook het v.i.-land de bijdragewinst op basis van (vanuit die staat gezien: grensoverschrijdende) fiscale consolidatie van moeder en dochter wordt berekend. De (on)zichtbaarheid van de interne rente tussen moeder en dochter zou alsdan in beide landen hetzelfde zijn (in de regel: fiscaal zichtbare rente), waardoor in beginsel geen tot
double dipsof dubbele heffing leidende
mismatchesmeer ontstaan als gevolg van het Nederlandse consolidatieregime. Dit resultaat is het resultaat dat de Staatssecretaris als procespartij voorstond in de procedure die tot
Sarakreekleidde en het resultaat dat de Commissie Bavinck voorstaat op grond van consistentie met de
Rupiah-arresten. Het zou het boven geciteerde art. 15ac(5) Wet Vpb overbodig maken en de in 6.7 en 6.8 hierboven gesignaleerde eenzijdigheid en onvolledigheid van die bepaling opheffen.
Sarakreekal dan niet strookt met de
Rupiah-arresten is, zoals bleek, een kwestie van interpretatie. De wetgever had in art. 15ac(5) ook royalty’s en huur kunnen opnemen; onduidelijk is waarom hij dat ondanks waarschuwingen in de literatuur niet heeft gedaan..
Sarakreek, óók niet voor verdragen en feiten van ná 2010. Immers: ook indien u de 2010-wijzigingen in de OESO-inzichten (verder gaande zelfstandigheidsfictie) wilt volgen voor verdragen die volgens die nieuwe inzichten luiden en voor belastingjaren van na die nieuwe inzichten, is terugkomen van
Sarakreekniet nodig of zinvol. Zoals boven (6.10) betoogd, doet het daarvoor niet ter zake of het gaat om een betaling binnen één onderneming of om een betaling vanuit de v.i. van de ene gevoegde onderneming aan de andere gevoegde onderneming. In beide gevallen gaat het vanuit Nederlands (internationaal-)belastingrechtelijk perspectief om een betaling vanuit een v.i. aan een hoofdhuis; een hoofdhuis dat in het ene geval niet gevoegd is en in het andere geval als gevolg van voeging de fiscale eenheid is.
Sarakreekmooi of lelijk is. Het
Sarakreek-effect is inherent aan de fiscale eenheid (winstbelastingheffing en voorkoming van internationale dubbele winstbelasting alsof er één belastingplichtige is) en, indien ongewenst, slechts te vermijden door het Nederlandse belastingrecht (het fiscale-eenheidsregime) dat dat effect oproept, te wijzigen.
Gevallen waarin aan de zakelijkheid van de interne transactie niet kan worden getwijfeld
Sarakreek-en
Rupiah-discussie, hoewel fiscaal-rechtskundig mogelijk erg interessant, in wezen niet ter zake doet omdat zaken soms heel eenvoudig zijn en het er naar uitziet dat dit zo’n geval is, al doen de zeer uitvoerige schrifturen van de partijen anders vrezen.
Sarakreek-gevallen zoals het litigieuze (dat zich mijns inziens dus
fiscaalrechtelijkniet onderscheidt van een hoofdhuis/v.i.-situatie binnen één civielrechtelijke rechtspersoon), royaltybetalingen vanuit een v.i. van de eenheid aan die eenheid wél in aanmerking worden genomen als aan de zakelijkheid van de tot de royaltybetaling aanleiding gevende binneneenheids-transactie niet kan worden getwijfeld.
formatdoor
[C]en over de daarvoor verschuldigde royalty’s, de bepaling waarvan ook overeenstemt met de eveneens zakelijk geachte vergoedingen die andere concernonderdelen betalen voor het gebruik van het
format. Ik merk op dat het
valuation reportvan Arthur Andersen (blz. 9) [50] rapporteert dat de binnen het concern te berekenen royalty strookt met de voor hetzelfde
formataan een
third partyberekende royalty.
arm’s length-beginselen. Dat leidt ook tot een evenwichtig resultaat, nu in confesso is dat ook de Spaanse fiscus de royaltybetalingen ten laste van de v.i.-winst brengt.
valuation reportdie royalty strookt met de aan een
third partyberekende royalty. Ik zie niet welk fiscaalrechtelijk significant verschil er dan kan bestaan met het Leverancierskrediet-arrest dat in casu een andere uitkomst dan in dat arrest zou kunnen verklaren.
8.Kostentoerekening aan de Spaanse v.i. (cassatieberoep belanghebbende)
[C], zodat van de door de eenheid extern voor het
usufructbetaalde kostprijs (vrijwel) niets toerekenbaar is aan die v.i. Ik kan dat standpunt niet goed volgen: als het zakelijk is om
[C]miljoenen te laten betalen voor bedrijfsvoering op basis van het
format(zie r.o. 4.4.3 Rechtbank), hoe kan het dan onzakelijk zijn om mede aan haar (indien toerekening van de royaltybetalingen zelf niet mogelijk is omdat zij ‘intern’ geacht moeten worden te zijn) de externe afschrijvingskosten op het
usufructtoe te rekenen naar rato van die bedrijfsvoering?
usufructdienstbaar is aan
[C]’s bedrijfsvoering, de kosten daarvan moeten worden toegerekend aan
[C], en dat
Sarakreekniet belet dat externe kosten die de eenheid ten behoeve van haar v.i. maakt aan die v.i. worden toegerekend.
usufructheeft gerekend met een bedrag van slechts $ 20.000 voor mogelijke gebruiksuitbreiding tot Oostenrijk, Scandinavië, Spanje en Zwitserland, zodat aan Spanje slechts een verwaarloosbaar deel van de afschrijvingskosten kan worden toegerekend. Zij betoogt “dat slechts kosten aan een vaste inrichting kunnen worden toegerekend, indien die kosten
daadwerkelijk zijn gemaakten in
historisch causaal verbandstaan tot die vaste inrichting.” Zij verwijst daartoe naar HR BNB 1973/262, [51] maar dat arrest werpt mijns inziens geen licht op de zaak omdat het wezenlijk slechts zegt dat kosten die niet gemaakt zijn, ook niet toegerekend kunnen worden. In casu staat vast dat wel degelijk extern $ 63,4 mio voor het
usufructis betaald.
format-gebruik is geen historisch gebruik. De verkoper heeft de prijs niet gesplitst in een prijs per enig afzonderlijk land (zie 2.3), zodat ik met de Staatssecretaris meen dat de Rechtbank er vanuit kon gaan dat de prijs is betaald voor de - al dan niet potentiële - exploitatie van het
formatin de gehele wereld met uitzondering van enige specifiek genoemde landen. Dat de belanghebbende een begroting heeft gemaakt aan de hand van de omzet in zeven landen waarin het
formatal werd gebruikt en mogelijke omzet in enige andere landen, waaronder Spanje, schept geen feitelijk causaal verband tussen kosten en opbrengsten. Het oordeel van de Rechtbank houdt in dat die begroting niet de toekomstige feitelijke dienstbaarheid aan de bedrijfsvoering van de diverse bestaande of nog niet bestaande concernonderdelen kan bepalen, en dat die dienstbaarheid afgemeten moet worden aan het feitelijke gebruik van het
formatbinnen die bedrijfsvoering. Dat lijkt mij geen onjuiste maatstaf voor zover dit oordeel rechtskundig is, en geenszins onbegrijpelijk voor zover het feitelijk is.
[C]heeft het
formatin 1999 in gebruik genomen, zodat belanghebbendes jaarlijkse afschrijving vanaf dat jaar mede betrekking had op die v.i. en deze kosten vanaf dat jaar mede aan haar moeten worden toegerekend.
usufructad $ 63.444.000 lineair verdeeld over de gebruiksperiode van vijftien jaar en het daaruit resulterende jaarlijkse afschrijvingsbedrag over de concernonderdelen verdeeld naar rato van de door die onderdelen betaalde gebruiksvergoedingen voor het
format, zulks omdat die vergoedingen omzetgerelateerd waren en nauwkeuriger omzetgegevens niet voorhanden en niet eenvoudig verkrijgbaar waren. De financieringskosten heeft de Rechtbank buiten beschouwing gelaten omdat de Inspecteur onvoldoende de door hem gestelde rentekosten aannemelijk had gemaakt (r.o. 4.4.1). Dat laatste oordeel wordt in cassatie niet bestreden. Evenmin wordt bestreden dat nauwkeuriger gebruiks- of omzetgegevens dan de door de Rechtbank gebruikte niet voorhanden zijn.
usufructbij benadering behaalde omzetten. Dat is geenszins onbegrijpelijk en voor zover in cassatie zichtbaar ook
at arm’s length, nu vast staat dat de eveneens omzetevenredige royalty’s
arm’s lengthzijn.
usufruct. Zoals bleek, acht ik dat niet alleen begrijpelijk, maar ook juist.
neither here nor there, nu niet gesteld of gebleken is dat de royalty’s slechts afschrijving zouden moeten goedmaken maar integendeel (i) de Rechtbank er niet onbegrijpelijk van uit gaat dat, zoals ook de Staatssecretaris stelt, de belanghebbende als eenheidsmoeder/hoofdhuis exploitatiewinst op het
usufructmaakt en (ii) er financieringskosten zijn (vast staat althans dat het
usufructgefinancierd is met een gelieerde lening) die de Inspecteur echter onvoldoende voor het voetlicht heeft weten te brengen.