Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de WOZ-waarde van zijn woning vastgesteld op €380.000 voor het kalenderjaar 2010. De bezwaar- en beroepsprocedure duurden respectievelijk bijna 9 maanden en ruim 20 maanden, wat leidde tot een overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro en jurisprudentie van de Hoge Raad.
De rechtbank overweegt dat in WOZ-zaken een afwijkende termijn geldt vanwege de piekbelasting bij gemeenten, waardoor de bezwaarfase redelijkerwijs langer mag duren dan de standaard zes maanden. Desondanks heeft de bezwaarfase de wettelijke termijn overschreden en heeft de beroepsfase onredelijk lang geduurd. De overschrijding is volledig aan de rechtbank toe te rekenen.
De rechtbank wijst een immateriële schadevergoeding van €1.000 toe aan belanghebbende. Daarnaast oordeelt zij dat de twee WOZ-zaken van belanghebbende, met betrekking tot verschillende objecten, als afzonderlijke zaken moeten worden behandeld en dat in elke zaak recht bestaat op vergoeding.
De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer en kan binnen zes weken worden aangevochten bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de Staat tot betaling van €1.000 immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in de WOZ-procedure.