Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende maakte bezwaar tegen aanslagen forensenbelasting over de jaren 2008 tot en met 2011, welke door de heffingsambtenaar ongegrond werden verklaard. Tijdens de zitting op 17 april 2013 verscheen belanghebbende niet, omdat hij niet op de hoogte was gesteld van een wijziging in het aanvangstijdstip. De rechtbank besloot het onderzoek te heropenen nadat dit werd gemeld.
De heffingsambtenaar vernietigde vervolgens ambtshalve de naheffingsaanslagen, waarna belanghebbende zijn beroepen introk en verzocht om proceskostenvergoeding. De rechtbank overwoog dat aan de voorwaarden voor vergoeding was voldaan, omdat de heffingsambtenaar aan belanghebbende tegemoet was gekomen.
Hoewel belanghebbende de zitting niet daadwerkelijk bijwoonde, achtte de rechtbank het aannemelijk dat hij op het oorspronkelijk afgesproken tijdstip aanwezig was. De rechtbank kende een vergoeding toe van € 240, bestaande uit € 234 voor drie uur verlet en € 6 reiskosten, conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. Vergoeding van voorbereidingstijd werd afgewezen. Het griffierecht wordt door de heffingsambtenaar zelfstandig vergoed.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 240 aan proceskosten aan belanghebbende.