Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende had in 2012 een gemeubileerde woning beschikbaar in de gemeente zonder daar zijn hoofdverblijf te hebben en kreeg een aanslag forensenbelasting opgelegd. De rechtbank stelde vast dat de forensenbelasting een wettelijke grondslag heeft en dat het niet-inwoners onderscheid in aanslag niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, verwijzend naar een arrest van de Hoge Raad uit 2001.
Belanghebbende voerde aan dat het gebruik van de WOZ-waarde als heffingsgrondslag leidt tot een ongerechtvaardigd onderscheid en dat de belasting onredelijk hoog is. De rechtbank oordeelde dat het tarief en de heffingsgrondslag binnen de discretionaire bevoegdheid van de gemeenteraad vallen en niet onredelijk of willekeurig zijn.
Verder werd het argument dat de ene gemeente wel en de andere niet forensenbelasting heft, verworpen omdat de gemeentewet gemeenten deze keuze expliciet geeft. Een nieuw aangevoerde stelling over onderscheid tussen recreatiewoningen en stacaravans werd als te laat ingediend beschouwd en buiten beschouwing gelaten.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de aanslag forensenbelasting 2012 is ongegrond verklaard en de aanslag is terecht opgelegd.