Interballast I B.V. kreeg een bestuurlijke boete van €32.000 opgelegd wegens het laten verrichten van laswerkzaamheden door vreemdelingen zonder tewerkstellingsvergunning. De werkzaamheden betroffen het plaatsen van een nieuwe voorpiek op een schip. De vreemdelingen waren in dienst van een Roemeense onderneming die arbeidskrachten ter beschikking stelde.
De rechtbank stelde vast dat de vreemdelingen inderdaad werkzaamheden hadden verricht waarvoor een vergunning vereist was. Echter, Interballast I B.V. kon niet als werkgever worden aangemerkt omdat de werkzaamheden geen kernactiviteit van haar bedrijf betroffen en zij geen aanwijzingen gaf voor medewerking aan een schijnconstructie.
De rechtbank oordeelde dat de ruime uitleg van het werkgeversbegrip, zoals door de minister gehanteerd, leidt tot onaanvaardbare rechtsonzekerheid en onevenredige belemmering van het economisch verkeer. Daarom werd het bestreden besluit vernietigd, het bezwaar gegrond verklaard en het primaire besluit herroepen. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.