Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, woonachtig in Duitsland en niet verzekerd voor Nederlandse volksverzekeringen in 2010, maakte bezwaar tegen een aanslag inkomstenbelasting. Hij stelde dat hij premies voor de AWBZ en Zvw had betaald aan het College voor Zorgverzekeringen (CvZ) en dat deze ten onrechte niet met de aanslag waren verrekend.
De rechtbank oordeelde dat belanghebbende niet premieplichtig was voor de Nederlandse volksverzekeringen en dat de bijdrage op grond van artikel 69 van Pro de Zorgverzekeringswet geen belasting is die kan worden verrekend met de inkomstenbelasting. De Wet inkomstenbelasting 2001 staat verrekening alleen toe voor loonbelasting, dividendbelasting en kansspelbelasting.
Belanghebbendes beroep dat hij ongelijk werd behandeld ten opzichte van Nederlandse ingezetenen faalde omdat er geen sprake was van gelijke gevallen. De rechtbank wees ook op eerdere jurisprudentie die onderscheid maakte tussen verdragsrechtelijke bijdragen en AWBZ-premies.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door rechter W.A.P. van Roij en in het openbaar uitgesproken op 8 augustus 2014.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de aanslag inkomstenbelasting 2010 wordt ongegrond verklaard.