ECLI:NL:RBZWB:2015:182
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet tijdig beslissen op bezwaar tegen afwijzing verzoek ambtshalve vermindering
Belanghebbende kreeg in 2011 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd voor 2008 en maakte bezwaar, dat in 2013 gedeeltelijk werd toegewezen. Vervolgens diende hij in 2014 een verzoek tot verdere vermindering in, dat werd afgewezen. Tegen die afwijzing maakte belanghebbende bezwaar, waarop de inspecteur niet tijdig besliste.
Belanghebbende stelde de inspecteur in gebreke en diende beroep in wegens het uitblijven van een beslissing. De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond is, omdat de inspecteur niet binnen de wettelijke termijnen heeft beslist. De rechtbank laat in het midden of het bezwaar een aanvraag of een bezwaar in de zin van de Awb is, omdat beide beslistermijnen zijn verstreken.
Echter, het bezwaar betreft een ambtshalve genomen besluit dat niet voor bezwaar vatbaar is, zodat het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is. Om proceseconomische redenen verklaart de rechtbank het bezwaar niet-ontvankelijk zonder toepassing van dwangsom. De rechtbank wijst het beroep op een dwangsom af en gelast vergoeding van het betaalde griffierecht aan belanghebbende.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar wordt kennelijk gegrond verklaard en het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, met vergoeding van het griffierecht aan belanghebbende.