Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Het procesverloop
2.Het geschil
3.De beoordeling
Op 14 oktober 2015 heeft [verweerster] de arbeidsovereenkomst zonder instemming van [verzoekster] opgezegd. Primair maakt [verzoekster] , nu er geen tussentijds opzegbeding voor beide partijen is overeengekomen, aanspraak op € 7.199,54 bruto, zijnde het bedrag aan loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst zou hebben geduurd (zes maanden) indien deze van rechtswege zou zijn geëindigd (artikel 7:677 lid 4 BW Pro). Subsidiair, voor het geval wel een tussentijds opzegbeding geldt, vordert [verzoekster] , nu onregelmatig is opgezegd, één maandloon (artikel 7:672 lid 9 BW Pro) alsook, nu niet rechtsgeldig conform artikel 7:671 is Pro opgezegd (zonder instemming van [verzoekster] en zonder toestemming van het UWV) een billijke vergoeding van vijf maandsalarissen (artikel 7:681 lid 1 BW Pro). Ten slotte, indien geoordeeld zou worden dat [verweerster] niet zou hebben opgezegd, vordert [verzoekster] loon over de periode vanaf 15 oktober 2015 tot heden en verzoekt [verzoekster] beëindiging van het dienstverband wegens verwijtbaar handelen van [verweerster] .