Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
5.Proceskosten
6.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende ontving in 2013 een ontslagvergoeding die met toepassing van de stamrechtvrijstelling werd gestort in een stamrecht-BV. In 2014 werd hem een aanvullende ontslagvergoeding toegekend na een procedure wegens kennelijk onredelijk ontslag. De rechtbank moest beoordelen of de stamrechtvrijstelling ook op deze aanvullende vergoeding van toepassing was.
De stamrechtvrijstelling verviel per 1 januari 2014, met een overgangsregeling die alleen aanspraken op periodieke uitkeringen die op 31 december 2013 bestonden, beschermt. De rechtbank stelde vast dat de aanvullende vergoeding pas in 2014 bij rechterlijke uitspraak was toegekend en dat er op 31 december 2013 geen aanspraak bestond op periodieke uitkeringen ter zake van deze vergoeding.
De rechtbank wees het beroep van belanghebbende af en bevestigde dat loonheffing terecht was ingehouden op de aanvullende ontslagvergoeding. Een beroep op redelijkheid en billijkheid slaagde niet omdat de rechter gebonden is aan de wet en geen ruimte heeft om de wet buiten toepassing te laten. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De stamrechtvrijstelling is niet van toepassing op de aanvullende ontslagvergoeding, loonheffing is terecht ingehouden.