Conclusie
1.Inleiding
ex-werkgever heeft op deze schadevergoeding € 158.600 aan loonbelasting ingehouden.
aanhef en onder g, Wet op de Loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB 1964) van toepassing is op een na 1 januari 2014 toegekende schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag. Meer in het bijzonder is in geschil of de overgangsregeling van artikel 39f, lid 1, Wet LB 1964 van toepassing is.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
B. 7821 en Hoge Raad 1 juni 1977, nr. 18209, ECLI:NL:HR:1977:AX3 510).
1 januari 2014 met hun werkgevers een schikking treffen en werknemers die een civiele procedure beginnen en op of na deze datum een vergoeding ontvangen op grond van kennelijk onredelijke opzegging van de arbeidsovereenkomst.
3.Het geding in cassatie
4.Stamrechtvrijstelling
( [...] /Breed), geoordeeld dat de schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag een bijzonder karakter heeft in de zin dat de schadevergoeding vooral toe strekt de benadeelde een zekere mate van genoegdoening te verschaffen: [33]
BNB1954/328 geoordeeld dat wil van aanspraken op toekomstige of voorwaardelijke aanspraken gesproken kunnen worden, het niet voldoende is dat bij de werknemer de verwachting bestaat dat in de toekomsten de uitkeringen zullen worden genoten, maar dat het nodig is dat op die uitkeringen enig recht is ontstaan: [34]
B.7821 geoordeeld dat de schadeloosstelling (in de vorm van een tantième) niet vorderbaar en inbaar is geworden op het moment van de beëindiging van de dienstbetrekking maar op het moment dat het bedrag van die aanspraak kwam vast te staan. Daarnaast heeft de Hoge Raad geoordeeld dat onder rentedragend niet begrepen wordt een geval waarin de rente eerst tegelijk met de vordering komt vast te staan: [35]
31 december 1938 rentedragend is geworden; dat toch het besluit hier het oog moet hebben gehad op het geval, dat een liquide vordering onder genot van rente door den tot de vordering gerechtigde blijft uitstaan, en niet kan hebben bedoeld een geval als het onderhavige, waarin de rente, indien verschuldigd, naar haar bedrag eerst tegelijk met de vordering zelve vast komt te staan en dus ook eerst dan vorderbaar, tevens inbaar wordt;
BNB1977/167 heeft de Hoge Raad overwogen dat het verschuldigd worden van rente wegens achterstallige betaling niet kan worden begrepen onder rentedragend worden in de zin van artikel 33, lid 1, onderdeel a, Wet IB 1964 (thans artikel 3.146 Wet IB 2001): [36]
BNB1996/38 overwogen dat aangezien de belastingplichtige ter zake van de gelden geen beschikkingshandeling heeft verricht, geen sprake is van rentedragend in de zin van artikel 33, lid 1, onderdeel a, Wet IB 1964 (thans artikel 3.146 Wet IB 2001): [37]
BNB2003/320 overwogen dat zolang een vordering niet vaststaat, het verschuldigd zijn of zullen worden van rente over die vordering evenmin vast staat en reeds om die reden niet van het ‘rentedragend’ zijn van die vordering kan worden gesproken: [38]
op het tijdstip waarop het loon wordt uitbetaald, verrekend of op enigerlei andere wijze ter beschikking van den werknemer of van een derde wordt gesteld’. In deze opsomming mist men ‘rentedragend’ en ‘vorderbaar en inbaar’. Bij B.8789 heeft de HR echter ook de rubriek ‘vorderbaar en inbaar’ voor de loonbelasting van toepassing verklaard. De HR overwoog dat hiervoor pleit dat daarmede het tijdstip van de heffing van de loonbelasting over reeds vorderbaar en inbaar loon niet van de willekeur van de betrokkenen afhankelijk is. Voorts sluit de HR zich aan bij de zienswijze van de minister dat ‘
het karakter van voorheffing van de loonbelasting het onaannemelijk maakt dat van een bepaalde inkomsten de inkomstenbelasting verschuldigd zou zijn in een ander jaar dan dat waarin de loonbelasting wordt ingehouden’. Een duidelijke uitspraak over ‘rentedragend’ ontbreekt, maar men moet aannemen dat de HR over de gehele lijn een synchronisatie tussen de loonbelasting en de inkomstenbelasting tot stand heeft willen brengen.
Het tweede lid van de onderwerpelijke bepaling is ontleend aan art. 29 [thans art. 33] eerste lid van het ontwerp van de Wet op de Inkomstenbelasting 1958 en is in zoverre ruimer dan het geldende art. 7 van Pro het Besluit, dat als tijdstip waarop de loonbelasting moet worden ingehouden mede wordt aangewezen het tijdstip waarop het loon rentedragend dan wel vorderbaar en tevens inbaar wordt. De aansluiting te dezen aan de inkomstenbelasting, welke ook door de Hoge Raad is aanvaard in zijn arrest van 1 maart 1950 B.8789, vloeit voort uit het karakter van voorheffing, dat medebrengt dat loonbelasting wordt ingehouden in hetzelfde jaar als dat waarin het loon aan de inkomstenbelasting is onderworpen’.
het besluit [IB 1941] hier toch het oog moet hebben gehad op het geval, dat een liquide vordering onder het genot van rente door den tot de vordering gerechtigde blijft uitstaan en kan niet hebben bedoeld een geval, waarin de rente, indien verschuldigd, naar haar bedrag eerst tegelijk met de vordering zelve komt vast te staan en dus ook eerst dan vorderbaar, tevens inbaar wordt’. [42] Voor een ruimere uitleg van rentedragend is ook geen plaats. In al deze gevallen moet rente betaald worden omdat de debiteur niet kan of wil betalen. Hier is het tegendeel aanwezig van een vergroting van de beschikkingsmacht van de belastingplichtige.
5.Gelijkheidsbeginsel en vertrouwensbeginsel
Wetgeving
BNB1979/311 heeft de Hoge Raad beslist onder welke omstandigheden sprake is van een toezegging waaraan de belastingplichtige een in rechte honoreren vertrouwen mag ontlenen: [48]
BNB1990/119 dat de gerechtvaardigdheid van het vertrouwen afhangt van de omstandigheden die bij de belastingplichtige de indruk kunnen hebben wekken dat een door de Inspecteur gevolgde gedragslijn berust op een bewuste standpuntbepaling: [49]
BNB1993/100 heeft de Hoge Raad overwogen dat het bij een aangifte voegen van een specificatie niet te beschouwen is als het uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de orde stellen van een punt: [50]
BNB2003/188 geoordeeld dat de enkele omstandigheid dat, nadat een belastingplichtige een aangelegenheid uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de orde heeft gesteld, een voorlopige aanslag wordt opgelegd of verminderd overeenkomstig het door hem daarover ingenomen standpunt, op zichzelf onvoldoende reden is om aan te nemen dat sprake is van een in rechte te beschermen vertrouwen: [51]
BNB2013/216 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de terugwerkende kracht van de tariefverlaging in de overdrachtsbelasting voor woningen geen verboden discriminatie vormt: [52]
BNB2014/31 overwogen dat alleen sprake is van discriminatie indien het gemaakte onderscheid geen gerechtvaardigde doelstelling heeft of indien er geen redelijke verhouding bestaat tussen de maatregel die het onderscheid maakt en het daarmee beoogde gerechtvaardigde doel: [53]
Van Nijnattenhebben over de toetsing aan het gelijkheidsbeginsel zoals neergelegd in artikel 14 EVRM Pro en artikel 26 Internationaal Pro Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten geschreven: [54]
6.Beschouwing van de middelen
Ten geleide
B. 7821 [70] en HR
BNB1977/167 [71] oordeelt het Hof dat in onderhavige zaak de rente eerst tegelijkertijd met de vordering komt vast te staan en ook eerst dan vorderbaar en inbaar wordt, dan wel genoten op enige andere in artikel 13a Wet LB 1964. [72]
B.7821 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat pas van een vorderbare en inbare inkomst gesproken kan worden op het moment dat het bedrag van de aanspraak is komen vast te staan, ook al is de aanspraak op de schadeloosstelling ontstaan op de datum van de beëindiging van de dienstbetrekking. Voorts heeft de Hoge Raad geoordeeld dat onder rentedragend niet de situatie valt waarbij de rente eerst tegelijkertijd met de vordering zelf komt vast te staan en ook eerst dan vorderbaar en inbaar wordt. [78]
BNB1977/167 herhaalt dat het verschuldigd worden van moratoire rente niet kan worden begrepen onder het begrip rentedragend in de zin van thans artikel 3.146 Wet IB 2001. [79]
31 december 2013 nog geen aanspraak had tot het bedrag van de schadevergoeding, zodat niet is voldaan aan de voorwaarde dat sprake moet zijn van een bestaande aanspraak. De schadevergoeding was op die datum evenmin bepaalbaar, het was op dat moment nog onduidelijk of de aanhangig te maken kantongerechtsprocedure wegens kennelijk onredelijk ontslag zou slagen en zo ja, tot welk bedrag de vordering zou worden toegewezen. [85]
31 december 2013 voldoende bepaald of bepaalbaar is. Dit betekent dat vóór 1 januari 2014 een stamrechtovereenkomst getekend dient te zijn. Hieruit moet blijken dat de ex-werkgever aan zijn werknemer een aanspraak toekent op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon. [88]
BNB2013/216 [92] geoordeeld dat de wetswijziging naar haar aard meebrengt dat onderscheid wordt gemaakt tussen gevallen die zich hebben voorgedaan vóór dan wel na het tijdstip met ingang waarvan de nieuwe regeling van toepassing is. Een dergelijk onderscheid kan in beginsel niet als discriminatie worden aangemerkt omdat anders de wetgever de mogelijkheid zou kunnen worden ontnomen om wetten in te voeren of te wijzigingen. [93]
BNB1993/100 overwogen dat de omstandigheid dat de belanghebbende gedurende een reeks van jaren bij zijn aangifte een specificatie had bijgevoegd waarin werd vermeld dat buitengewone lasten in aftrek waren gebracht niet te beschouwen is als het uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de orde stellen van het betrokken punt. [97]