Belanghebbende, B BV, kocht een Porsche 911 met een kilometerstand van 10 en registreerde deze eerst in Duitsland, daarna in Nederland. Bij de aangifte BPM werd de auto als gebruikt aangemerkt, met een lagere belasting als gevolg. De inspecteur legde een naheffingsaanslag op omdat de auto als nieuw werd beschouwd, met een hogere BPM en een vergrijpboete.
Belanghebbende stelde dat het unierechtelijke verdedigingsbeginsel was geschonden omdat zij niet mondeling was gehoord voorafgaand aan de naheffingsaanslag en dat de auto als gebruikt moest worden aangemerkt. De rechtbank oordeelde dat de inspecteur voldoende gelegenheid had geboden om schriftelijk te reageren en dat er geen verplichting bestond tot een mondeling gesprek. Het verdedigingsbeginsel was daardoor niet geschonden.
Verder concludeerde de rechtbank dat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat de auto als gebruikt moest worden beschouwd. De eerste buitenlandse registratie vond plaats na de koop en de gereden kilometers waren met instemming van belanghebbende. De auto vertoonde geen sporen van gebruik. De verwijzing naar het Kaderbesluit en eerdere jurisprudentie leidde niet tot een ander oordeel.
Ten slotte wees de rechtbank het verzoek tot vergoeding van werkelijke kosten af en bevestigde zij de toegekende forfaitaire kostenvergoeding. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling in de beroepsfase opgelegd.