Belanghebbende, een in Duitsland gevestigd beleggingsfonds, verzocht teruggaaf van Nederlandse dividendbelasting over meerdere boekjaren, welke verzoeken door de inspecteur werden afgewezen. De rechtbank beoordeelde of belanghebbende objectief vergelijkbaar is met een in Nederland gevestigde fiscale beleggingsinstelling (fbi) die recht heeft op teruggaaf. De inspecteur stelde dat belanghebbende niet vergelijkbaar is omdat zij niet inhoudingsplichtig is voor dividendbelasting in Nederland en niet voldoet aan de aandeelhouderseis en uitdelingseis van de Wet Vpb.
De rechtbank overwoog dat het arrest BNB 2015/203 van de Hoge Raad, waarin werd geoordeeld dat een buitenlands fonds niet vergelijkbaar is met een Nederlandse fbi vanwege het ontbreken van inhoudingsplicht, als uitgangspunt geldt. Echter, het arrest Miljoen van het HvJ EU riep vragen op over de juiste vergelijkingsmaatstaf, met name of de uiteindelijke belastingdruk bij de participanten moet worden betrokken.
Gezien het grote aantal vergelijkbare zaken en de complexiteit van de materie, stelde de rechtbank prejudiciële vragen aan de Hoge Raad over de interpretatie van het arrest BNB 2015/203, de toepassing van de aandeelhouderseis en uitdelingseis, en de rol van het buitenlandse heffingsregime. De rechtbank hield de beslissing aan en stelde vragen over de voorwaarden waaronder een buitenlands fonds als vergelijkbaar met een Nederlandse fbi kan worden aangemerkt.